woensdag 24 december 2008

Passagier mist vliegtuig

Het was 19 december 2008. Ik werd om 3.30 uur wakker, reed om 4.15 uur weg en was om 5.15 uur op Schiphol. Het vliegtuig gingom 6.35 uur. Dus tijd zat. Ik sliep nog even door. Met één blik op het mededelingenscherm zag ik dat ik bij balie 18 moest zijn. Dat was veel verder dan waar ik uitgestapt was. Ik sleepte mijn koffers drie vertrekhallen door. Ik bevroeg dromerig een informatiejuffrouw, maar die wist van geen TAP-vlucht. Ik keek nogmaals op het scherm en zag dat ik in de goede rij stond. Zag ik het goed of sliep ik nog? Toen ik aan de beurt was wist ook de KLM-juffrouw van niets. Geen vluchten naar Faro hier. Volgens haar was het TAP-incheckpunt in vertrekhal 1 en we waren nu in vertrekhal 3.

Het was inmiddels 5.45 uur en een normaal mens zou weten dat de tijd nu toch echt begon te dringen. Maar ik niet, deze vroege ochtend. Ik liep naar vertrekhal 1 en ging weer in de rij staan, nu voor de TAP-balie met het bordje Faro. Een dromerig kwartiertje verder was ik aan de beurt. De dame accepteerde mijn paspoort, keek in haar monitor en greep naar de telefoon. Toen ze klaar was met het overleg keek ze me vriendelijk aan en zei: ‘De gate is dicht. U kunt niet meer aan boord. U kunt zich beter even melden bij de TAP-informatie-desk rechts om de hoek.’


De juffrouw van het informatiepunt ging meteen in de verdediging toen ik opmerkte dat de gate wel erg vroeg was dichtgegaan. ‘Een halfuur voor take off is volsterkt normaal’, sputterde ze, me boos aankijkend. Kennelijk nachtdienst gehad dus al die boze klanten zat. Ik sliep gezellig verder en vroeg wanneer de volgende vlucht vertrok. ‘12.35’, zei ze. Ze begon driftig op haar toetsenbord te rammen. Overboeken naar de volgende vlucht naar Lissabon kostte me €108,-, lichtte ze me voor. Want ook de vlucht van Lissabon naar Faro moest overgeboekt worden. ‘Okay’, riep ik. Ik had niet veel keus. Zij begon weer hevig te typen. ‘Schrijft u een romannetje?’ Ze ontdooide een beetje en produceerde een smal lachje. ‘Alles moet opnieuw ingegeven worden. Dat duurt even’.

Om 12.00 kwam ik het vliegtuig binnen dat al gevuld was met drukke Portugezen en een enkele Nederlander. Ik kreeg een stoel op de allerlaatste rij, maar wel aan het gangpad zoals ik gevraagd had. Naast me zat een zeer dikke Nederlander, die ze kennelijk in deze stoel gelepeld hadden. Hij zat volkomen vast. Recht overeind en doodzenuwachtig. Het was zijn eerste vliegreis. Samen met zijn forse dochter was hij ook onderweg naar Farao, zoals Cleopatra zei, waar buren op hen zouden wachten. Zij hadden daar een appartement gehuurd; de buren verbleven in een camper. De vlucht was minimaal een half uur vertraagd. En het vliegtuig nam ons allemaal mee.

Ik vroeg aan de stewardess of we op tijd zouden zijn voor onze volgende vlucht naar Faro om 15.30 uur. Dat we anders vast zouden zitten in Lissabon. Nou, dat wist ze natuurlijk niet. Maar ze hoopte van wel. Daar schoten we lekker mee op. Volgens mij leren ze deze antwoorden van hun crisis-manager. Gewoon met je klant meelullen, maar geen zekerheid bieden. Want dan kunnen ze claimen. En dat moet je natuurlijk voorkomen. Wat later kwam ik er achter dat in Portugal GMT-tijd gold. Dat gaf ons een uurtje respijt.
Driekwartier voor de beoogde vertrektijd van de vlucht naar Faro werd de landing ingezet. Mijn buurvrouw aan de andere kant van het gangpad stelde voor dat we moesten vragen of we voorin het vliegtuig mochten zitten zodat we als eerste eruit konden. Er waren nog plaatsen in de businessklasse. Ik vroeg het aan de cabinedame, die op haar beurt telefonisch het hoger personeel benaderde. Het antwoord luidde dat de landing was ingezet en dat we op onze stoelen moesten blijven zitten. Vijftien minuten voor het beoogde vertrek naar Faro rolden we het vliegtuig uit Amsterdam uit. Eerst moesten we met een bus naar een andere terminal en toen we daar de hal kwamen binnenrennen, bleken we nog op tijd. Het was precies 15.30 uur maar de passagiers voor Faro waren nog niet opgehaald.

Twee uur later waren we nog niet opgehaald. We zaten met z’n drieën op de vloer met onze rug tegen de muur. Mijn buurman was de apathische rust zelve. Een uiterst vriendelijke man die alleen puffend zijn onvrede uitte. Ppppppfffffffffff. Met zweet op zijn voorhoofd. Hij wachtte telkens vol spanning als ik terugkwam met informatie, want hijzelf sprak geen woord over de grens. Die informatie was miniem. Ja, er was geen vliegtuig en ze wisten ook niet wanneer het kwam. Het vliegtuig was dus kennelijk zoek, concludeerden wij. Dat leek ons heel wel mogelijk in Portugal. ‘Passagier mist vliegtuig’ van vanmorgen kreeg hier een heel andere lading.

Al snel ontstond er een soort saamhorigheidsgevoel bij sommige passagiers. De dikke en zijn dochter bleven angstvallig dicht bij mij in de buurt. Verder waren daar twee Nederlandse homo’s, waarvan de ene zo rood aanliep dat we het ergste vreesden en zijn zwaar wit-gepolijste gebit nog prominenter uit zijn gezicht kwam, een Portugese man van mijn leeftijd met een rode houtje-touwtje-jas met capuchon aan, een oorbel in en een opgeruimd karakter en een Duitse vrouw van een jaar of veertig met vlassig donker haar en in bezit van een pronte dochter. Wij gingen om beurt op zoek naar informatie.

De gemoederen bij een paar Portugezen liepen hoog op. Een keurige zakenman, in zwart krijtjesstreep pak en diplomatenkoffer, was zo razend dat hij hardop voor zich uit zat te schelden en te blazen. Plotseling verscheen de politie ten tonele om het mokkende volk tot achter de afzetting te irigeren.

Toen kwam er nieuws. Er was een staking van cabinepersoneel. Daarom kwam het vliegtuig niet. Alleen onze vlucht. Men deelde foldertjes uit met de wervende tekst ‘YOUR RIGHTS AND WHERE TO COMPLAIN’. Hadden ze kennelijk nog liggen van een eerder oponthoud.. Over cancellation van de vlucht wordt in de flyer opgemerkt: ‘Financial compensation is due unless ……… the airline can prove that the cancellation was caused by extraordinary circumstances.’ Handig. Een staking leek mij extraordinary. Maar dat was van later zorg.


‘Er komen bussen’, zong het rond, ‘die ons vanavond nog naar Faro brengen.’ Waar en wanneer wist niemand. Eén passagier gaf het op. Hij pakte samen met zijn zoon de trein en ging rechtstreeks naar Faro. Het idee trok mij ook maar ik had de dikke en zijn dochter op sleeptouw, bovendien had ik mijn bagage nog niet terug.


Een half uur later draaide de belt en spuwde mijn koffer uit. We verdeelden de taken. Ik ging op zoek naar informatie en mijn twee landgenoten bewaakten de bagage. Ik liep naar tourist-information en die verwees door naar de douane (we stonden inmiddels buiten de douane en mochten niet terug naar de groep), en die naar de politie, en dan naar de TAP-desk en de Groundforce. Dat bleek de juiste club te zijn. Ik rende terug naar de hal om mijn partners te halen. Ik zag hem nog net met mijn bagagekar naar buiten lopen. Ik dacht: ‘Dit overkomt mij niet.’ Hij keek om, zag mij en zwaaide. ‘Kom op. De bussen zijn er’. Drie-en-eenhalf uur later waren we op Faro-airport. Ik besloot mijn huurauto op te halen maar niet op zoek te gaan naar het appartementencomplex een uur verderop. Ik boekte een kamer in het Ibis-hotel.



Compositie in turkoois met tuinslang en heel kleine klomp


Strand bij Carvoeiro


Krijtrotsen bij Rocha Brava

Idem

Uitzicht vanaf Moors kasteel in Silves

maandag 15 december 2008

Hoogtevrees in de Sagrada

De dakgoot van mijn huis hangt op, wat zal het zijn, een metertje of 8 à 9. De kamers zijn 3,40 m hoog en dan twee etages en nog wat er tussen, dus laten we zeggen 9 meter hoog. Daarboven komt de zolderetage. Ik klom vroeger graag in de herfst de goot in om larixnaalden en bladeren van ander boomgespuis te verwijderen om verstopping van de afvoer te voorkomen.

Soms ging ik hogerop en wierp een borstel met een zwaar gewicht in de schoorsteen van de openhaard in de hoop dat het stookkanaal daar schoner van zou worden. Eén keer is de borstel in het kanaal blijven steken en niet beneden gearriveerd. De borstel zat vast. Ik had dat scenario al keer van een collega gehoord en die had voor veel geld het rookkanaal moeten laten openbreken teneinde zijn borstel en het vrije verkeer van rook en trek weer terug te krijgen. Gelukkig kon ik met enige moeite, via de openhaard, graaiend in de schoorsteen de borstel te pakken krijgen en lostrekken. Er volgde een lawine aan roetproducten.

Hoog dakverkeer was mij dus niet ongewoon. En nooit last van hoogtevrees. Totdat ik wat ouder werd. Totdat de bravoure wat ging rusten. Ik was bij de Sagrada Familia in Barcelona. De meer dan fantastische kathedraal van Gaudi die al decennia in aanbouw is, omdat hij alleen met geld van particulieren gebouwd mag worden. Dus geen overheidssubsidies en bedrijfssponsoring. Ik bezocht dit bouwwerk en zag dat de mogelijkheid bestond ook de torens met liften te bestijgen en dan via een trap weer af te dalen. Dus eerst snel hoog en dan langzaam omlaag. Via een ronddraaiende trap naar beneden. In een kathedraal in aanbouw. Sagrada familia. De heilige familie. Ik ging naar boven. Niks aan de hand. Stapels mensen deden het. En boven was het uitzicht grandioos.

En dan ga je met de trap naar beneden. En dan zie je dat de glazen nog niet in de ramen zijn gezet. Dat je dus een open verbinding hebt met het 40 meter lager gelegen Barcelona. En dat ook aan de binnenkant geen beveiligend ijzerwerk is aangebracht. Je kijkt recht in de afgrond van de toren.

Dat voelt niet echt echt lekker. Je loopt van een trap af en bij een verkeerde stap verdwijn je een tiental meters de diepte in. Om net zo als Gaudi te sterven aan de voet van de kathedraal. (Gaudi werd vlak voor de kerk overreden door een tram en stierf later in een plaatselijk ziekenhuis).

Ik verstijf. Durf geen stap meer te verzetten. Ik realiseer me dat ik verder moet omdat ik anders op deze plaats zal mummificeren of erger, door achtervolgers zal worden gepasseerd. Dus stapje voor stapje ga ik verder. Trillend. Kijkend naar de volgende tree. En niet naar buiten.
Zwetend bereik ik de begane grond. Doel bereikt. Ik ga zitten op een richel aan de overkant van de uitgang en wacht hoe andere bezoekers deze dodegang overleven. Na enige tijd gaat de deur open en komen twee pubermeiden kletsend en alleen in beslag genomen door eigen zaken de deur uit. Giebelend lopen ze weg. Ik voel me oud.

Ik voelde me niet oud toen we aanvlogen op Los Angeles. Ik zat lekker te lezen, we zouden gauw landen en mijn buurvrouw zorgde voor de nodige chocolade-versnaperingen. Ik was op weg naar Hollywood om eens te kijken waar al die crooners en stars hun bedoeninkje hadden. De gezagvoerder van ons vervoermiddel deelde mee dat we wat te vroeg waren en dus in een parkeerbaan werden gezet. Prima. Ken ik. Geen punt. Een beetje rondjes draaien en dan dalen. Over een paar minuten zouden we landen.

Ik keek door het raam naar beneden en zag Los Angeles volstrekt stil onder ons liggen. De motoren deden van mwung, mwung, mwung, langzaam dus, en niet van jangjangjangjang, laat staan juuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuut. We hingen stil boven de stad. Mwung …… mwung ……. mwung. Mijn buurvrouw zegt: ‘There’s something wrong with the engines’. De engelen van Los Angelos hadden kennelijk geen dienst. Ik knijp mijn knokkels wit op de leuningen. Minuten lang hangt die grote kist boven de files van L.A.. het is kennelijk spitsuur daarbeneden. Mwung …… mwung ……. mwung. Het is doodstil. De lichten zijn grotendeels uit. Iedereen is in verwachting van de finale mededeling: ‘Ladies and gentlemen. We have a problem’.

En dan plots komt de vaart er weer in, gaat het mwung weer over in juuuuuuuuuuuuuuuu-uuuuuuuuut en landen we probleemloos.

zondag 7 december 2008

Vertraging in São Paulo

Ik was ruim op tijd voor mijn vlucht van São Paulo naar Cascavel, anderhalf uur verderop naar het oosten. Daar wachtte een bus die mij verder zou transporteren naar Foz do Iguaçu, bekend van het natuurpark en de waterkrachtcentrale (Usina Hidroelétrica de Itaipu), maar vooral van de 275 watervallen. Ik liep naar de balie klaar om me in te checken. Voor de balie stonden clubjes mensen opgewonden te kletsen. Ik probeerde op te vangen wat de oorzaak was van de commotie, maar mijn Braziliaans-Portugees was niet toereikend om licht te vinden in de duisternis. Ik kan daar aan toevoegen dat mijn kennis van die taal zelfs niet toereikend was om ook maar iets te begrijpen al werd het duidelijk articulerend in mijn oor getetterd.

Ik wendde mij tot een grond-versie van de cabine-serveerster en vroeg in het Engels wat er aan de hand was. De vlucht naar Cascavel had een vertraging tot 11 uur die avond, zei ze. Zij gaf mij een bon voor een kopje koffie, lachte me vriendelijk toe en verwachtte dat daarmee de 5 uren vertraging mooi waren opgelost. Maar.. maar.. maar, begon ik. Zij kneep in mijn arm. Alles komt goed, stelde ze me gerust. O ja, zei ik. En mijn bus dan? Blijft die wachten tot ik vijf uur te laat, ver na middernacht aankomt? Nou dat leek haar niet waarschijnlijk. Ik moest maar even naar de klanten service gaan en het probleem daar voorleggen.

Voor de klantenservice stond al een rij. Achter het loket zat een jongetje dat kort geleden van de lagere school was weggeplukt, een te grote bril op zijn neus was gemonteerd, in een pak van de luchtvaartmaatschappij gehesen en op de kruk gezet. Dit was onze alwetende antwoordmachine. Ik pakte mijn spullen en verdween voor even in een luchthavencafé.

Een paar uur later was de wacht achter het loket gewisseld en de rij verdwenen. Ik ging eens informeren over de mogelijkheden. Ik vroeg de dame of er een hotel was op het vliegveld van mijn bestemming. Ze knikte bevestigend, noteerde alles wat ik kwijt wou en zou het een en ander doorbellen naar het kantoor in Cascavel en ik moest daar maar contact opnemen. Om 11 uur ging het vliegtuig.

Aangekomen in Cascavel haalde ik mijn koffer van de band en rende 6 uur te laat de aankomsthal in. Het was er donker. Alle luikjes waren hermetisch gesloten. Een schoonmaker toerde rond op zijn veeg-, zuig- en poetsapparaat en produceerde daarbij telkens een piepje. Piep…. piep…. piep. Verder was het stil. En er was geen hotel. En er stond geen bus. Buiten stonden wel wat taxichauffeurs. Gelukkig, waar een taxichauffeur is, is een weg. Ik liep naar buiten en zij zagen meteen een klant. Met zijn vieren kwamen ze naar me toe. Ze vroegen waar ik heen moest. Ik vertelde dat. Eén van hen riep een prijs. Dat hadden ze kennelijk afgesproken. Dat ze niet tegen elkaar op zouden bieden. Ik vond het bedrag redelijk en dacht nog steeds dat de vliegmaatschappij dat wel zou compenseren. Ik stapte in en daar gingen we, door het donkere, ongetwijfeld prachtige landschap van de Mato do Sul. Ik knipte een lichtje aan en trok mijn boek tevoorschijn.

Tegen vier uur in de ochtend reden we Foz do Iguaçu binnen. Mijn chauffeur kende de weg en al gauw reed hij de straat van het hotel in. En dat was een verrassing. Het was hier feest. De hele straat stond vol met dansende, zingende en drinkende Brazilianen. Het was een uitbundig en feestelijk feest. Vol lol, zo te zien, en uitgelaten pret. Ik voelde me brak en wilde naar bed. Ik rekende af, nam de bagage over van de chauffeur en liep de hal van het hotel binnen. Het was er donker. Op een lampje bij de receptie na, scheen er geen licht.

Achter de desk zat een meisje. ‘Alo,’ zei ze. Ik alo-de-terug en daarmee was mijn Portugees op. Haar Engels was dat al eerder, zodat we nu met de mond vol tanden tegenover elkaar stonden. Maar zij had een oplossing. Ze pakte een mobiele telefoon, drukt een nummer, riep er na enige tijd wat Portugees in en gaf hem aan mij. ‘Hallo?’ klonk het van de andere kant. ‘Hallo?’ zei ik, ‘Who are you?’. Het was de vlot Engels sprekende manager van het hotel, die waarschijnlijk voor de deur stond te dansen. Ik vertelde hem wie ik ben en wat ik kwam doen. Slapen. Nou, er was op mij gerekend, maar een beetje eerder. Ik vertelde hem van de vertraging. Okay, niks aan de hand, geef de mobiel maar weer aan de juffrouw. Zij kreeg wat Portugese instructies, denk ik, want ze gaf me nu vlot een sleutel en wees me welke kant ik op moet. Ik had een kamer onder het dak, dook mijn bed in en viel als een blok in slaap.


zondag 30 november 2008

Het gelijk van Parijs

Het was mooi weer. Zonnig. Graadje of 20. Wolkeloos. Lente in Parijs. ‘April in Paris’, zong Sarah Vaughn. Het was ook de laatste dag van onze reis. We hadden vier weken langs de kust van het Iberische schier-eiland gereden en reden nu via Frankrijk terug naar huis. We besloten de laatste dag in Parijs door te brengen. We zetten de tent op in het Bois de Boulogne en gingen naar de Champs voor ons bijna laatste, immens dure biertje. We keken naar het passerend publiek en genoten van het uitzicht.
Er trok een stoet aan mensen langs. Het was ongeveer 13.00 uur, dus Parijs had lunchpauze en flaneerde nu langs de terrassen, om te zien en gezien te worden. Lang, kort, dik, dun, alles liep, zweefde, hobbelde of sjokte voorbij. Van adembenemend mooi tot in-triest verval.

Voor ons zat een oude, maar energieke man. Hij was minstens 70, had lang wit haar, een bruin gezicht en de uitstraling van iemand die veel jonger was. Naast hem zat zijn zoon, gekleed in krijtstreep, gel in haar en de rest in chagrijn. Pa had lol. Zoon niet.

Voor pa stond een schuimend glas gerstenat. Hij was tevreden en keek goed geluimd naar het passerend publiek. Telkens als er een fraai exemplaar van het vrouwelijk geslacht voorbij kwam, kwam er een grote glimlach op zijn gezicht en applaudisseerde hij in gedachte. Niet hard op, want zijn zoon vond hem toch al dementerend. Nou dementerend was hij niet. Genietend was hij wel. Met een zoon van 47. Die het druk had en maar nauwelijks tijd kon vinden om één keer in de drie weken met hem een uurtje door te brengen. Zoals vandaag. Op de Champs d’Elysees. Parijs.

Pa zou dit genot niet ontnomen worden. Voor hem geen vergaderingen, i-Pods, krisis, laat staan grijze krijtstrepen, Aston Martin en Cartier. Voor hem was de avondmaaltijd in het restaurant om de hoek bij zijn flat al een hoogtepunt van de dag. Deze uitstap naar de Champs zou hij zich niet laten ontnemen.

Zijn zoon keek geërgerd. Hij ergerde zich aan zijn vaders lol, rust, levenslust. ‘Hij moest dankbaar zijn voor de tijd die hij uittrok tijdens zijn drukke leven. Wie betaalde de rust van die ouwe. Zie hem lachen en plezier hebben. Terwijl hij zat te pezen voor de alimentatie, de kinderen, de dalende koersen en de contributie van de golf-club'.

Er woei een zachte wind. Die ritselde aan de parasols. En aan de rekeningen die op tafel lagen. En die de rekeningen heel voorzichtig verplaatste naar de grond. En toen naar de blazers van de ondergrondse parkeergarages. En toen whaaaap weg. De ober kwam. Zoon wou betalen en greep naar de rekening en greep in het niets. Hij keek Pa aan, die net een slok van zijn bier nam en zich verslikte door de woedende blik van zijn Jacques. Zoon trok zijn beurs, gooide enig papiergeld op tafel en vertrok zonder verder om te kijken.

Pa leek even van zijn stuk gebracht, vermande zich, keek ons aan en zei: ‘Ze weten niet meer te genieten. Ze hebben geld maar verder………………mwaaah’. Hij dronk zijn glas leeg, stond op, liep naar het trottoir en stak zijn hand op voor een taxi. Toen die kwam, keek hij om en zwaaide ons tot ziens. De chauffeur hielp hem instappen.

zondag 23 november 2008

Een katterug op de rio Gaudiana

Wij verplaatsten ons per katterug. Zo werd de Volvo PV 444 genoemd waarmee we 4 weken op stap waren. Kattenruggen waren zeer populair bij studenten en ook mijn reisgenoot Gerard, door mij steevast Sjef genoemd, had er een. We waren de hele westkust van Spanje en Portugal af gereisd en stonden nu op het punt de grens tussen Portugal en Spanje te passeren. Er was echter een probleem: er was hier geen vaste verbinding tussen beide landen. De grens liep ergens midden in de rivier Rio Gaudiana die uitmondde in de oceaan. Men had er wat opgevonden en een zeer gammele, roestige pont ingeschakeld.

De Portugese douane had zijn burelen op vaste Portugese grond gevestigd en niet zoals regelen der kunst dat vereiste midden in de rivier. De douaneposten die men daar aanvankelijk had gesitueerd, had men veel later teruggevonden in de buurt van de Canarische eilanden. Dus had men besloten tot een vaste post en een pont. Alvorens je over twee houten balken, die provisorisch tussen de wal en het schip waren neergelegd en absoluut geen gedegen indruk maakten, het schip mocht oprijden werd je eerst stevig gevisiteerd door enkele beambten. Wij waren nog niet aan de beurt.

Voor ons stond een BMW-cabrio met Duits kenteken en een hevig opgetuigd stel; zij met een getoupeerd haarlakkapsel en zeer hoge hakken en hij met een even kunstmatig Elvis-kapsel en puntschoenen. Het waren Duitsers hè. Alles werd de auto uitgesleept. Alle koffers, alle tassen en één beautycase. Tegenwoordig ziet met die dingen niet veel meer, maar toen was dat een onmisbaar attribuut voor een jonge vrouw. Het was een merkwaardig vierkant ding, een doos met een handvat bovenop. Van wit leer. En daar zat dan van alles in wat een vrouw tot beauty kon maken. Potjes met zalf, doosjes met poeder, flesjes met geurtjes, lipsticks, flesjes met nagellak, cremes, borstels, kammen, spiegeltjes, schaartjes, vijltjes, watten, nog meer flesjes, met milk, en eau de toilette, wattenstaafjes, nou ja noem maar op. En alles lag nu op de grond of was in het gras gegooid. Zij keek in opperste paniek naar wat hier allemaal gebeurde. De slipjes kwamen uit de koffers, de b.h.’s lagen op de achterklep, jurken op de achterbank en schoenen werden van binnen en van buiten bekeken.
Wij zaten het met stijgende verbazing te bekijken en vreesden de toekomst met grote vreze. De douaniers hadden er een sadistisch genoegen in om alles met grote traagheid grϋndlich te onderzoeken. En daarbij smalend lachend naar hun slachtoffers te kijken. Waarschijnlijk hadden ze een rekening te vereffenen of was vanuit Lissabon de opdracht gekomen nu eindelijk die grote drugsdealers vast te zetten. Maar zoals aan elke lijdensweg kwam ook hier een eind aan. De Duitsers mochten hun spullen bij elkaar rapen. Er was niets gevonden.

En nu wij. Wij waren ’s ochtends nogal laat vertrokken en hadden in grote haast tent en toebehoren, kookgerei, kleren, eten en drank achter in de auto gegooid. ’s Avonds moest het er toch weer uit dus wat was het nut in deze bagage enige ordening te brengen. De gefrustreerde beambten kwamen met dreigende pas naar ons automobiel. We keken geïnteresseerd naar de mooie blauwe lucht en controleerden of daar geen wolkje te vinden was. Nee, dat wolkje was daar niet te vinden maar wel op het gezicht van de douanier die op mijn raampje tikte. Of ik er even uit wilde komen. Dat wilde ik best. Ik zou eens even laten zien hoe coöperatief ik was met het Portugese volk. Of ik de klep open wilde doen. Maar natuurlijk, met alle plezier. Ik pakte de sleutel, ontsloot het slot en deed de klep omhoog. Ga uw gang, wees ik, zweetdruppels van mijn gezicht wissend.

De inspecteur keek naar de ongeorganiseerde rotzooi onder de klep en keek mij vragend aan. Wat dat was? Ik vermoedde dat ‘bagage’ niet het antwoord was dat hij verwachtte, maar vond ‘drugs’ te ver gaan en ‘aardappelen’ niet toereikend, dus ik koos voor ‘onze tent’.

Hij stak zijn arm uit en in ons reisgoed. Net zo snel haalde hij zijn arm er weer uit. Op zijn arm bevonden zich nu enige resten boter, wat achtergebleven camembert, een toefje mayonaise en om het op z’n Hollands af te ronden, wat pindakaas op zijn rechter pink. Hij keek naar zijn arm, trok een zeer vies gezicht, gooide de klep met een klap dicht en verwees ons naar de boot. Hij had zelfs onze paspoorten niet gecontroleerd.

zondag 16 november 2008

Slaapdronken

Het vliegtuig landde rond 4 uur ‘s ochtends. Een paar kilometer buiten Honolulu, op Honolulu Airport, Hawaii. Ik stommelde slaapdronken de vliegtuigtrap af, strompelde stokdoof door het snelle dalen langs de douane en sprintte naar Hertz. Ze waren nog open. Toen ik op de bel drukte kwam vanachter een bouwplatenpaneel een slaperig figuur te voorschijn, die mij na ampele raadpleging de sleutels van een automobiel overhandigde waarmee ik me op weg begaf naar het Outrigger-hotel. Ik was moe, laat dat duidelijk zijn. Ik was het reizen even zat en wilde naar bed. Nou ja, eerst een borrel en dan naar bed.

Het was een zesbaans-snelweg en er reden nog redelijk veel auto’s. Ik schatte de afstand naar Honolulu op zo’n 10 kilometer. Ik schatte dus verkeerd. Na 10 kilometer lag de snelweg er nog net zo snel bij als voorheen. Geen spoor van stedelijk rumoer. En toen zich na een kilometer of twintig wat industriële bebouwing begon af te tekenen wist ik niet hoe snel in me van de weg af kon begeven om me door iemand te laten bijpraten over waar ik in godsnaam zat en hoe ik bij het Outrigger kon komen.

Ik ging dus van de snelweg af. Het was rond vijf uur in de ochtend. Op een industrieterrein. En ja, er stonden daar auto’s. En ja er waren daar mensen. Om vijf uur ’s ochtends. Slaapdronken. Ik zette mijn auto neer een wandelde als een volstrekt onwetende nul naar de eerste de beste auto met inzittende. Er zat een man alleen in. Achter het stuur. Hij duwde iets weg in zijn jack toen ik hem vroeger waar het Outrigger was. Hij verwees me door naar een auto tien meter verder op. Ook hier een man alleen. Na vijven ’s ochtends. Ook hier een schrikbeweging maar ook een antwoord. Het Outrigger was nog een tiental kilometer rechtdoor en dan even links. Ik luisterde maar half want ik begon nattigheid te voelen Ik bedankte hartelijk maar tot handen schudden kwam het niet. Ik liep rustig, maar met een unheimisch gevoel terug naar mijn auto. Dit industrie-terrein bleek, las ik achteraf, deel uit te maken van het China-town van Honolulu. Met gemiddeld één moord per week. Waar ik met mijn slaapdronken kop doorheen banjer. Om vijf uur in de ochtend.

Ik bereik Outrigger East ongeschonden en krijg een riante kamer met groots uitzicht. Ik heb zicht op een kantoorpand, een drukke autoweg en als ik uit het raam leun en naar rechts kijk, op Waikiki Beach, het beroemde surfers strand. Het hotel wordt omschreven als ‘Ideally located for budget-minded vacationing families, couples on romantic getaways and other leisure travelers, the Outrigger East stands only a short stroll from Waikiki Beach, the International Marketplace, Kapiolani Park, Honolulu Zoo and Waikiki Aquarium’. Hou het even vast. ‘Vacationing families, couples on romantic getaways and other leisure travelers’. Heb je hem? Zo’n hotel dus.
Ik verblijf hier een paar dagen, maar veel indruk maakt Hawaii niet. Op de derde dag reis ik verder. Ik moet vroeg op voor mijn vlucht naar Los Angelos. Drie uur in de ochtend. Om vijf uur gaat het vliegtuig, ik moet nog pakken en de auto terugbrengen. Ruim op tijd ben ik wakker, daar heb ik geen wekker voor nodig, en verlaat bepakt en bezakt mijn kamer. En dan is het toch even verrassend. Dit hotel leeft nog. Is zelfs nog springlevend. Als ik halverwege de gang ben komt het geluid van feesten me tegemoet. Deuren staan open en gekousde benen van liggende dames steken uit de opening. Mannen lopen in de olie van kamer naar kamer. Er is een feestje aan de gang. Of zo. De nachtelijke dubbele agenda van een hotel. Overdag de families, couples and travelers en ’s nachts de rest. Zoals je ook tv kijkt in een hotel. Zappend door het aanbod kom je vroeg of laat, meestal vroeg, bij het betaal-aanbod. En meestal is het zo geprogrammeerd dat je heel even, voordat het kanaal op slot gaat, nog wat borsten en stevige billen meeneemt. Je kunt je daarop abonneren en als je dat doet, verschijnt het op je rekening, als communications services.


Ik loop met stevige pas verder en veins de uitnodigingen deel te nemen aan het vertier niet te horen. Op het vliegveld is het kantoor van Hertz gesloten. Ik schuif sleutel en papieren onder het rolluik door. En loop naar de vertrekhal.

zondag 9 november 2008

Man-doe-er-wat-an

Een typisch Nederlandse manier van vakantie houden is op pad gaan met de sleurhut of met een camper. Ik denk dat Nederland de hoogste camperdichtheid heeft van Europa. Ook ik ben een groot aantal keren met een gehuurde camper op pad geweest. Samen met mijn hond Badjah. Twintig jaren oud. Een kruising tussen een Duitse herder en een whippet; een hele kleine hazewind. Eén van de twee ouders stond tijdens de conceptie op een krukje. Met het resultaat was ernaar. Ik had haar overgenomen van de vader van een vriendin die naar een bejaardenhuis moest. Ze heeft zeventien jaar achter me aangelopen. Badjah dus, niet die vriendin. Nu reden we samen door het Franse en Noord-Spaanse land en waren op de terugweg toen we de volgende ontmoeting hadden.

’s Avonds stoppen we op een schitterende camping
‘Belvédère du pont de Lanau’. De camping ligt in terrassen tegen een berg aan en geeft een mooi uitzicht op een rivierdal. Het regent met bakken. Ik doe het licht en de verwarming aan en heb een riant uitzicht op de door de plassen soppende, regenjassen en parapluen torsende tentbewoners. Ik schurk mijn schouders in de kussens.

Recht voor mij komt een VW Golf met Nederlands kenteken tot stilstand. Het gebrek aan manoeuvreer-ruimte welke het terras biedt brengt de door de beslagen ruiten nog onzichtbare chauffeur in merkbare paniek. Zijn ijverig gesleur aan het stuurrad doet de banden stevige modderkuilen graven in het gras. Na tienmaal voor- en achteruit staat het vehikel stil. De deur gaat open en er verschijnt een paraplu. Daarna volgt pa, behoedzaam voetje voor voetje de modder aftastend naar vaste grond. Ma blijft zitten en kijkt met een gezicht van man-doe-er-wat-an. Hij kijkt omhoog, naar haar, en weer omhoog. Ma denkt zichtbaar: ‘Sul, laat die regen dan stoppen. Ik kom er niet uit voor de regen stopt. Ik ga me daar in mijn nieuwe Zeeman-spullen die tent niet in de regen staan opzetten’. Pa kijkt besluiteloos rond en haalt zijn hand door het lichtgrijze, kalende haar.

‘Stoppen laten. Hoe kan ik de regen nou stoppen laten. Zo dadelijk wordt ze kwaad en is onze hele eerste vakantieavond naar de knoppen. Moet ik mijn matras weer in de voortent leggen. Stoppen laten……..’ Hij krijgt een idee. Hij neemt het op met de eigenares van deze bedoening. In Nederland zijn we gewend aan regen, maar de Fransen zullen er wel een truc op hebben. Hij gaat zich beklagen en zal eisen dat de regen stopt. Hij sjokt naar beneden. Zij blijft achter, strak voor zich uitkijkend, en trekt zijn portier met een klap dicht. Na enige minuten komt hij onverrichter zake weer boven en kijkt naar de dichte, beslagen ramen van de auto. Is ze nog steeds boos?

En dan stopt de regen. He did it. My god, he did it. Twijfel-tobberig kijkt hij naar de lucht of het weer geen spelletje met hem speelt. Maar het blijft droog. Het is hem gelukt. Het portier gaat open en moe stapt uit. Haar stevige wandelschoenen zakken tot en met de profielzool in de modder. Samen zetten ze de tent op. Wanneer deze klus geklaard is, rommelt ze nog wat in de bagage en vertrekt met badspullen richting sanitair blok. Pa houdt de wacht staande naast de auto. Af en toe kijkt hij de weg af om te zien of ze er al weer aankomt. Het is weer gaan regenen. Badjah staat op, loopt naar een nog lekkerder plekje en slaapt weer verder. Ik sla een boek open.
Als ik ’s avonds het restaurant binnen kom, blijken de enige andere gasten mijn vrolijke buren te wezen. Zij zitten met natte, gewassen haren tegenover elkaar en kijken door de beregende ruit naar het lege zwembad. Zij zeggen niets. De eigenares van het etablissement komt met de kaart en deelt vast water en brood rond.

En dan barst het los. In onvervalst scheldend Amsterdams. Hoe het godsamme mogelijk was dat de douche het niet dee. Dasse al helemaal uitgekleed was en datter allenig maar koud water uit kwam. Hoe isset mogelijk voor die prijs. Hij doet af en toe ook een duit in het zakje en kijkt wat besmuikt naar mij. Alles had ze al uit. Na die lange rit wou ze zich wel effe opknappen. De regen sloeg door het hok heen. Koud dat ze het had. En dat voor die prijs.
De uitbaatster probeert vriendelijk uit te leggen dat twee van de vijf douches het wel doen en dat het nog wat vroeg in het seizoen is om ze alle vijf te laten werken. Die ondervinding had ik inmiddels ook al. Ik was eerder op de avond, slechts gekleed in handdoek, springend door de regen van de ene douche naar de andere gerend voordat ik een warme aantrof. Toen ik klaar was met mijn waterballet bleek ik mijn onderbroek in één van de andere badhokken achter gelaten te hebben. Mijn capriolen waren niemand opgevallen. Het was nog wat vroeg in het seizoen.

De discussie is er inmiddels niet kalmer op geworden. Elk in hun eigen landstaal slaan ze elkaar met argumenten om de oren. En dat voor dat geld. Ik bied mijn vaardigheden als vertaler aan. En zowaar dat wordt op prijs gesteld. Ik vertel hen over de douches en waarom er nog maar twee in werking zijn en leg de francaise uit dat de lange rit en de regen het humeur van mijn landgenoten reeds tot het nulpunt had doen dalen. De koude douche was de druppel. De rust keert terug.


zondag 2 november 2008

They are born tired

Ik keek uit het raam van mijn kamer op de tweede verdieping van het hotel. Beneden was het zwembad en het terras waar we ’s avonds als het niet regende, het diner gebruikten. Het hotel was het Dominion hotel in Nadi, uit te spreken als Nandi, op het eiland Viti Levu, het grootste eiland van Fiji archipel. Viti Levu betekent ‘Groot Fiji’. Volstrekt nutteloos om te weten maar ik heb wel meer nutteloze dingen als nuttig opgeslagen in mijn grijze massa.
Ik was hier nu drie dagen en zou ’s middags per vliegtuig verder reizen naar Cook Islands, een paar duizend kilometer naar het oosten. Het had net geregend zoals het alleen in deze contreien regenen kan. Als een groot watergordijn hoosde de regen naar beneden. Druppels zag je niet; het was één grote waterval. En het stopte net zo plotseling als het begonnen was. Tak, afgelopen.
Onder de warme zon droogde de binnenplaats snel op, maar er was nog steeds geen mens te bekennen aan de tafeltjes of in het zwembad. Op één uitzondering na. Aan één tafeltje zat een oudere vrouw met wit haar en een wijde zomerse jurk. Ik had haar nog niet eerder in het hotel gezien. Ze zat alleen en had iets inspannends te doen. Ik kon van bovenaf niet goed zien wat ze deed; breien, haken, schrijven, maar ze was er geconcentreerd mee bezig. Toen er een kelner aan kwam lopen en haar iets vroeg, schudde ze geïrriteerd het hoofd en zwaaide hem met een bevelend gebaar weer terug naar het restaurant. Ik ging door met pakken. Het busje zou ons over een uur komen ophalen en naar het vliegveld brengen.
In de hal van het hotel was het inmiddels een drukte van belang. Gasten, bedienden, koffers, hengels, surfboards, snorkels, duikbrillen, alles rolde en viel over elkaar heen in een poging enigszins georganiseerd in de bus te komen. Midden tussen het gekrakeel stond de vrouw van het terras. Als een koningin stond ze midden in de hal het zwarte bedienende personeel instructies te geven om haar bagage uit de opslag en in de bus te krijgen. ‘And hurry’. Ze zag mij staan, de enige ook blanke tussen al onze bruine en gele medemensen, kwam naar mij toe en zei: ‘They are born tired. All of them’. Ze strekte haar hand uit en stelde zich voor. ‘Martha’, zei ze. ‘Martha Keller’ of zoiets, ik verstond haar niet goed.
Langzaam verdwenen onze medepassagiers en hun bagage in de bus en keerde de rust in de hal terug. Ik pakte mijn spullen en versleepte het naar het inwendige van de shuttle-bus. Er was nog genoeg plaats. Even later kwam ook Martha binnen. Ze had alleen een tas bij haar. De rest van haar omvangrijke bagage werd door de ‘boys’ achter haar aangesleept. Ze zag mij zitten en hoewel er plaats zat was, nam ze de stoel naast mij. ‘Lui zijn ze. Ik geef ze geen rooie duit’. Ze zuchtte, spreidde haar enorme jurk om zich heen, haalde een borstel uit haar tas en begon haar spierwitte haren uitvoerig te kammen.
Ik bekeek haar wat beter. Ze was een oude vrouw, niet knap maar nog goed in conditie en met een sterk karakter. Ze vertelde dat ze schrijfster was en onderweg was naar Nieuw Zeeland. Ze had een tussenstop moeten maken op Fiji en had zich met de gratis courtesy-bus naar het Dominion laten brengen, waar ze zich had geïnstalleerd op het terras en de bedienden, zonder een cent uit te geven, had laten zorgen voor haar bagage. Nu ging ze terug naar het vliegveld. Haar vliegtuig vloog over een half uur. Aan haar tas hing een label. Ik spiekte en las: miss M. Gellhorn. Het leek me een reislustige maar niet al te sympathieke dame. Een globetrotter met het ego van gevierd kunstenaar. Haar naam zei me niets.
Toen ik thuis in Nederland de koffers uitgepakt, de gemiste slaap ingehaald en de normale tred der zaken hervat had, ben ik eens op zoek gegaan naar het curriculum vitae van deze stevige, broze dame. En dat was niet mis. Ik had kennis gemaakt met:
de belangrijkste vrouwelijke oorlogscorrespondent van de twintigste eeuw. Een moedige vrouw die op zoveel mogelijk fronten aanwezig wilde zijn en kritisch en sociaal bewogen schreef over de invloed van de oorlog op burgers en soldaten. Een enigszins zwart-witte politieke visie stond haar niet in de weg en zij werd wereldberoemd. Van eind jaren dertig tot in de jaren tachtig was ze actief. Van de politionele acties in Indonesië tot - in 1983 nog – de burgeroorlog in San Salvador. Pas toen de oorlog in Bosnië in 1992 uitbrak besloot ze dat ze te oud was om andermaal naar het front af te reizen. Gellhorn reisde met Ernest Hemingway in 1937 naar Spanje om er de burgeroorlog te verslaan. Later in 1940 trouwden ze (haar tweede, zijn derde huwelijk), maar de twee grote en ambitieuze ego’s verdroegen elkaar niet erg goed. Zij was een beter journalistiek schrijver, hij was een getalenteerd romanschrijver. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verslechterde hun relatie ingrijpend, zij verliet hem en ze scheidden in 1945’
Toen ik haar ontmoette was ze 87 jaar. Z-e-v-e-n-e-n-t-a-c-h-t-i-g. Toen sjouwde ze nog rond bevelen gevend, handig gebruik makend van haar kennis van (gratis) reizen en kleurlingen uitscheldend voor luie lapzwansen, zoals een van origine Amerikaanse uit het begin van de vorige eeuw kennelijk gewoon was. Drie jaar later overleed zij in Londen.

zondag 26 oktober 2008

Jan uit België

Het was kerstavond, zo’n vijf jaar geleden. Ik zat in de vertrekhal van het vliegveld van Faro, de hoofdstad van de Algarve. Ik had daar een paar dagen zon op zitten doen om de naderende winterdepressie te slim af te zijn.
Het was rustig in de hal. Het was al laat in de avond en er vertrokken nog maar weinig vliegtuigen. Door de ingang kwam een jongen binnen, met zongebleekte haren en een bruingebrand gezicht. Hij had een jas met capuchon aan, droeg trekking shoes en sjouwde een kennelijk zware plunjezak met zich mee. Dat viel op tussen de hardplastic koffers van de meeste van mijn medepassagiers. Hij verdween naar de incheckbalie en uit het gezicht.

Een uurtje later zat ik in het vliegtuig te wachten op het vertrek naar Amsterdam. Het vliegtuig was slechts bevolkt met een tiental grijze bollen die hun overwintering onderbraken voor een kerst bij kinders en kleinkinders of erger. Ik zat zoals gewoonlijk aan het gangpad, zodat ik mijn benen kon strekken en opstaan wanneer het mij beliefde zonder me over een paar slapers heen te hoeven worstelen. Rond om mij waren alle stoelen in 4 rijen, aan twee kanten van het gangpad, leeg. En toen kwam hij binnen. Zonder plunjezak maar met jas met capuchon. Hij keek rond, zag de zee van ruimte, zag mij, vroeg of hij mocht passeren en ging naast me zitten. Jas aan en een kegel van twee meter.

‘Jan’, kegelde hij met Vlaamse tongval in mijn gezicht en schudde me de hand. Hij nam de bejaardenclub voor hem geamuseerd in ogenschouw. Eerst kwam er een grote glimlach op zijn gezicht en toen rolde er plots een aanstekelijke lach door de cabine. Hij sloeg op mijn schouder, wees naar onze reisgenoten en schaterde onverminderd door. Toen hij voldoende van het toneel genoten had vond hij dat het tijd was voor een biertje en een begeleidend sigaretje. Roken was in die tijd nog niet algemeen taboe. Hij had het nog niet aangestoken of uit het niets kwam een cabinejuffrouw die hem duidelijk maakte dat roken op dit ogenblik strikt verboden was. Hij drukte zijn sigaret onmiddellijk uit en gaf zich over aan de volgende schaterbui. ‘En we zijn nog niet eens vertrokken.’ riep hij. Hij had duidelijk een vrolijke dronk.

Het vliegtuig vertrok en nam ons allemaal mee. Jan was een bouwvakker die kluste in de Algarve en was nu op weg naar zijn ouders in de buurt van Antwerpen. Hij hield niet van vliegen en had zich dus wat kalmte ingedronken. En dat bleef hij doen. Drankjes waren nog gratis, dus hij liet de bediening, mede uit wraak voor het gemiste sigaretje, duchtig werken. Soms zat hij met een blikje in elke hand met zijn jas aan, zijn vliegangst te bezweren.
We vlogen noordwaarts, richting Pyreneeën. Het vliegtuig hobbelde over wat luchtzakken maar erg was het niet. Jan zat recht overeind met links een blikje bier en rechts een beker hete koffie in zijn werkerknuisten.
En toen kwam een echte grote luchtzak. We klapten tientallen meters naar beneden. De vloeistoffen van Jan volgden deze neerwaartse beweging niet zo snel en kwamen uit de beker/blik omhoog en op Jans jas met capuchon. Hij keek naar beneden, naar mij, weer naar die grote natte plekken op zijn jas, stootte me aan , wees met zijn blik naar wat er gebeurd was en begon weer onbedaarlijk te lachen. Het daverde door de kleine ruimte. De grijze bollen voorin, nauwelijks bekomen van de schrik van de val, keken bleekjes achterom naar het tuig achterin. Ik keek laf een andere kant op.

Toen we aankwamen op Schiphol was het zwaar na middennacht en hadden we de nodige confidenties uitgewisseld. Hij vertelde dat hij nog geen vervoer had naar België. Ik had een vaag vermoeden wat de volgende vraag zou zijn en ging over op een ander onderwerp. Ik kon op eerste Kerstdag geen vreemde bouwvakker gebruiken. Ik kreeg gasten. Mijn hardplastic koffer kwam eerder dan zijn plunjezak. We namen afscheid en voor hij nog iets kon zeggen maakte ik me uit de voeten. Ik hoorde hem nog lachen. Nog steeds vrolijk.




maandag 20 oktober 2008

La Traviata en de drie musketiers

Alexandre Dumas is de auteur van wereldberoemde boeken als ‘De drie musketiers’, ‘De graaf van Monte Christo’ en ‘Christine’. Hij was de erkende, maar buitenechtelijke zoon van de Franse generaal Thomas Alexandre Dumas, en kleinzoon van Antoine Alexandre Davy, marquis de La Pailleterie en de zwarte slavin Marie-Cesette Dumas. Thomas, was een generaal in het leger van Napoleon, maar die laatste verdacht hem ervan een gooi te willen doen naar het opperbevel en zette hem gevangen. Toen hij uiteindelijk vrijkwam was hij lichamelijk kapot. Het enige wat hij nog wilde, en kon, was een nazaat. Alexandre, een mulat, werd geboren.
Dumas was verzot op het leven, de vrouwen, eten, duelleren, werken en reizen (en over al deze onderwerpen schreef hij boeken en toneelstukken. Zijn kookboek beschouwde hij overigens als zijn belangrijkste boek: ‘La Grand Dictionaire de Cuisine’, waarin vermakelijke recepten zoals ‘Neem een of meerdere poten van jonge olifanten, vil en ontbeen ze, na ze vier uur te hebben laten weken in lauw water. Deel ze in de lengte in vieren en hak deze stukken in tweeën. Blancheer ze een kwartier lang in water enz. enz..’)
Als tiener vertrok hij naar Parijs om daar zijn geluk te beproeven. Hij werd klerk bij de hertog van Orléans en schreef in de avonduren zijn eerste toneelstukken. Al snel kon hij van schrijven zijn brood maken en boekte het ene succes na het andere. Bij tijd en wijle bulkte hij van het geld en was net zo vaak arm als een kerkrat. Want geld uitgeven kon hij. En hij, ‘de koning van Parijs’, pronkte er mee. Paul Huet, de landschapsschilder, zou hem eens toegevoegd hebben: ‘Een mens krijgt zonnesteek, alleen al van het geglinster, als men jou passeert.’ Hij vergaarde alle roem en eer die een Franse schrijver in die tijd kon krijgen.





Maar de afgunst van zijn collega’s zorgde ervoor dat hem nooit is gevraagd toe te treden tot de elite-club, de ‘Académie Francaise’. Dat lukte zijn zoon, geboren uit Dumas’ verhouding met Cathérine Lebay en gewettigd aan haar sterfbed, wel.
Alexandre Dumas fils heeft heel zijn leven in de schaduw geleefd van de overweldigende levende legende. Eenmaal trad hij uit de schaduw. Fils werd verliefd op een 21-jarige Parijse courtisane, Marie Duplessis, favoriete van de miljonairs-leden van de Jockey Club, die gezamenlijk haar luxe leventje betaalden. Als teken van haar beschikbaarheid, droeg ze bij haar bezoeken aan de opera gedurende 25 dagen van de maand een boeket witte camelia’s, terwijl de overige vijf dagen het boeket was samengesteld uit rode camelia’s. La Dame aux Camélias.



Père, die graag zag dat zijn wat schuchtere zoon eens van het leven ging genieten, moedigde zoonlief aan.
‘Maar pa, ik heb geen geld’.
‘Geld? Betalen de vogels voor hun eten? Dichters en artiesten moeten vrij toegang hebben. De wereld der schoonheid komt je toe krachtens je geboorterecht!’
‘Maar ik zeg u toch dat ik haar niet eens ken.’
‘Als men Alexandre Dumas heet,’zei Père, ‘is de naam op zichzelf de introductiebrief.’
Fils kwam met haar in contact en raakte smoor. Zij kregen een innige verhouding, maar Marie, gewend aan haar luxe, die fils niet kon betalen, en inmiddels lijdende aan open tuberculose, kon haar leven niet opgeven. In een poging afstand van haar te nemen nam hij de uitnodiging van zijn vader aan om mee op reis te gaan naar Spanje en Portugal. De reis werd één grote triomftocht voor père.
‘Allessandro Dumas. Los tres mosqueteros!’
Toen hij terugkwam was Marie Duplessis, 23 jaar oud, overleden. Haar graf, waarop haar meisjesnaam ‘Alphonsine Plessis’, is te vinden op het kerkhof van Montmartre. Het is ook 160 jaar na dato nog meestal overdekt met haar geliefde camelia’s.
Jaren later schreef fils zijn eerste succesvolle boek ‘De dame met de camelia’s’, een geromantiseerde versie van zijn eerste grote liefde, dat later ook als toneelstuk op de planken zou komen. Giuseppe Verdi baseerde zijn opera ‘La Traviata’ op deze geschiedenis.

maandag 13 oktober 2008

Petrus

‘Zeg, ik duik even de kelder in. Eens kijken of we nog iets moois onder de kurk hebben.’ En pa stommelt de trap af naar de bedompte ruimte onder zijn twee-onder-één-kapper. Op weg naar vergetelheid. Wijn dus. Menige gastheer tracht zijn gasten te imponeren met zijn kennis van wijn. ‘Ha, ik heb me hier een hele mooie gevonden. Een Saint Julien van het Château Talbot, 2003. Werkelijk een keurig wijntje. Meegenomen uit Frankrijk toen we daar laatst waren voor een rondje proeven. Je kent dat wel. Even een rondje langs de châteaus. Hier een kistje en daar wel twee en die nemen we dan mee. Deels voor opleg en deel voor directe dronk.’ ‘Zo, nou, die zal er wel ingaan zeg. Proost.’

En dan begint het grote spel van ‘plaisir de l’oeil’, ‘plaisir du nez’ en plaisir du goût’. De lol van het kijken, ruiken en proeven dus. Voor menigeen is echter het geen lol maar een zeer serieuze zaak met een volstrekt eigen vakjargon. Ze hebben het over ‘troebel’, ‘uitgesproken jurk’ (van het franse robe franche), ‘bouquet’, ‘fruitig’, ‘verfijning’(finesse), ‘rond’, ‘vol’ (gras), ‘soepel’, ‘lang’, ‘taninehoudend’ (tanique), ‘evenwichtig’ (equilibré) enz. Zo werd mij recent een Sauvignon Touraine omschreven: ‘Ruikt naar stuivend aroma van acaciahoning en pompelmoes’. Pardon? Stuivend aroma? Wat is in vredesnaam ‘stuivend aroma’? Mijn woordenboek zegt over ‘stuiven’: ‘door de luchtstroom gedreven, met grote snelheid voortbewegen’. Dus als ik het goed begrijp hoef ik het maar even rond te laten dansen in mijn glas, het zgn. walsen, en dan stuift mij die pompelmoes tegemoet. Maar hoe ruikt een pompelmoes? Ik heb de wijn gewalst en hem geroken en rook helemaal niks. Totdat mijn neus ongeveer het oppervlakte van de wijn raakte. Ik rook nog steeds niks. Misschien was ik verkouden of de wijn te koud. Dus over naar het proeven. ‘Heerlijk zacht fruit met een tintelend frisse smaak van kruisbessen en witte bloemetjes.’ Witte bloemetjes? Madeliefjes? Margrietjes? Kamille? In mijn wijn? Hadden ze er niet iets chiquers in kunnen stoppen? De smaak van truffel of kaviaar, maar een madeliefje?

In ons plaatselijk sufferdje staat een artikeltje over een bijzonder kistje wijn; zes flessen voor 21.000 euro. ‘Een paar vragen aan inkoper Tjeerd Dijkstra. Vraag 1: ’Wat is dat voor een wijntje?’ ‘Een Château Petrus uit 2000. Een 100 procent merlot uit de Pomerol. Mensen kennen merlot als zoetig alledaags wijntje, maar deze is van een heel ander kaliber. Grootser, met meer diepgang en meer elementen.’ We gaan even snel naar Vraag 4: ‘Heeft u zelf weleens een Château Petrus gedronken?’ Antwoord: ‘Lang geleden toen ik sommelier was, bestelde een klant een fles. Bij het afruimen bleek er nog een bodempje in te zitten. Dat heb ik toen gedronken’. Ik zie het voor me. Eerst ruiken, dan walsen en ruiken en dan het bodempje proeven. En dan tot de conclusie komen dat deze wijn meer diepgang heeft. ‘Ik proefde het er niet aan af’, besluit hij. Nee natuurlijk niet, je proefde het speeksel van de vorige eigenaar.

Al dat verheven gedoe rond een fles wijn werkt bij mij vaak jeukend op mijn lachspieren. Natuurlijk, een hele grote seigneur begroet je in het glas anders dan een frisse landwijn. Je mag wat mij betreft voor een glas oude Château Petrus (naar het schijnt de fraaiste, en duurste, bordeaux; een kathedraal van een wijn) best figuurlijk op de knieën gaan. En gezien het aantal keren dat je de kans krijgt zo’n glas de drinken krijg je daar geen zere knieën van.

Waar ik in proefnotities nou nooit iets over tegenkom en wat toch ook een begeerlijke eigenschap van wijn is, is de aanwezigheid van alcohol. Maar een proever proeft en spuugt uit en een wijndrinker drinkt en houdt binnen. Het effect van het tweede glas is al heel anders dan dat van de eerste slok. Soms denk ik bij het tweede glas; ‘Hé, dit smaakt naar witte bloemetjes.’ En bij het derde: ‘Ik ruik pompelmoes vermengt met acaciahoning.’ Jacob Cats zei het al: ‘Als de wijn gaet in de man, leyt de wijsheyt in de kan.’Maar soms worden de innemers wel geestiger. Tijdens recepties placht Winston Churchill met zijn steeds opnieuw gevulde glas whisky in de hand steeds luidruchtiger aanwezig te zijn. Bij één van die gelegenheden voegde het Labour-parlementslid Bessie Braddock hem toe: ‘Winston, je bent dronken, afschuwelijk dronken. Winston antwoordde schaamteloos: ‘En u, mevrouw, bent lelijk, maar ik ben morgenochtend weer nuchter.

maandag 6 oktober 2008

Meest mezen

Afgelopen zondag was het vogel-tel-dag of zoiets. Ik wist dat niet, anders had ik graag meegeteld. Ik weet niet hoe je voorkòmt dat je steeds dezelfde vogel telt, maar daar zal wel een trucje voor zijn. Elke vogel die je geteld hebt vang je en geef je een streep met een markeerpen over zijn kop. Hou je weinig tijd over om te tellen. Of je schiet ze van de voerplaats af. Valt er gauw niets meer te tellen.

Vanachter mijn bureau heb ik een mooi uitzicht over de tuin. Aan een draad die boven het terras is gespannen en waar over een wijnrank groeit heb ik twee voederhuisjes gehangen met respectievelijk premium-pinda’s van de Vogelbescherming en Garden Special van Vita: ‘Mit Liebe fϋttern’. En sindsdien is het daar kermis. Alle mogelijke kleine vogels komen fϋttern. Ik heb geen idee hoe ze allemaal heten, maar ze trekken zich daar niks van aan. Uit de hoge Thuja ofwel levensboom die een eindje verder in de tuin staat, komen ze met een duikvlucht naar beneden zetten en mikken daarbij nauwkeurig op een collega die rustig hangt te nassen.

Ik heb me dus een boekje aangeschaft. De ‘Handige Wandelwaaier’ afdeling Vogels. In deze ‘Handige Wandelwaaier’ staan allerlei vogels onder de combinatienaam ‘Doortrekkers en Wintergasten’. Ik denk bij doortrekkers aan wat anders dan wat hier vermoedelijk bedoeld wordt, maar laat me er niet door weerhouden bij het verschijnen van een opgesierde mus eens te kijken wie er nu weer mijn tuin bezoekt. En welaan, ik heb een koolmees op bezoek. Het beest lijkt sprekend op die op mijn waaier. En dat verbaast mij. Er zullen er toch wel een paar miljoen van rondvliegen en laat de tekenaar nou net mijn mees hebben geschilderd. ‘Let op zwarte band over borst en buik’, zegt mijn waaier streng. Wat je zegt, op borst en buik. ‘Zo groot als Mus’, staccatoot mijn waaier. Ik heb even geen mus ter vergelijking maar ik gok dat dat wel goed zit.

En zo determineer ik de pimpelmees, die een gevarieerder eter is dan de koolmees en zowel het Vita voer als dat van de vogelbescherming nuttigt en de boomklever die met grote regelmaat op zijn kop hangt om de premium pinda’s te eten. Dat schijnt in die wereld een handige techniek te zijn. Daar beginnen roodborstjes niet aan. Dat zijn geen acrobaten Zij nippen het voer weg van de grond dat de anderen slordig hebben achter gelaten. En het hele kleine winterkoninkje laat zich nu niet vaak zien. Zal wel in zijn naam zitten.

Ik ben geen grote vogelkenner, dat moge duidelijk zijn. Ik heb een vriend die tijdens zijn normale, dagelijkse werkzaamheden achter zijn bureau op een briefje noteerde welk vliegend gespuis nu weer was langs zijn raam vloog. Ik keek wel eens op dat briefje en las namen als Gekraagde Roodstaart, Boompieper (er is ook een Graspieper meldt de waaier), Akkermannetje, Kneu en nog zo wat exotische namen die ik absoluut niet kende laat staan zou herkennen. Maar net zoals bij planten die ik ook niet bij naam ken, vind ik vogels wel boeiend. En net zo als in Nederland ga ik in het buitenland graag naar dierentuinen en vogelparken.

Bij een bezoek aan Singapore enige jaren geleden bezocht ik Jurong Bird Park, het grootste vogelpark van Azië. Net zoals vroeger bij Artis, zaten bij de entree een hele trits bont gekleurde papegaaien op hoge zitstokken. Het was rustig bij de ingang en ik stond me wat te oriënteren toen er een enorme bus stopte die een wagonlading Japannertjes over de hal uitstortte. Ik voelde me opeens een reus daar tussen al die dribbelende, bijziende Nipponnezen. De inval was geprogrammeerd, want van alle kanten kwam personeel aanzetten die de papagaaien van hun stok haalde, ze op de schouder van een willekeurige Jap plantte en de inmiddels ook gearriveerde fotograaf nauwelijks de gelegenheid gaf een shoot te doen alvorens het beest te verplaatsen naar een aanverwante schouder. En net zo snel als ze gekomen waren verdwenen ze weer op bevel van de grote leider de bus in. Geen stap hebben ze in het park zelf gezet. Eén foto voor thuis en weg waren ze.

Het was lekker rustig in het park. Het regende dus de meeste vogels hielden zich gedeisd. Er waren een paar paviljoens en ik stapte de eerste de beste binnen. En daar waren ze. De humming birds. De kleinste vogeltjes ter wereld. De kolibri. Stapels hokken met vele soorten van deze immens kleine vogeltjes. Die stilhangend in de lucht op hoogte gehouden door hun razendsnel klappende vleugels zich te goed doen aan nectar of suikerwater. Dat zo’n klein beestje, met het gewicht van een suikerklontje, zoveel energie kan opbrengen is ronduit verpletterend. Ik heb er een uur staan kijken. Roffelend hingen ze in de lucht. De hele dag moeten ze drinken hebben anders houden ze dat beweeg niet vol. Soms vliegen ze ook nog achteruit. Kost nog meer energie.
Terug naar de Hollandse werkelijkheid. Bij de nationale vogel-tel-dag werd de vink eerste. Bij mij zijn het meest mezen.

dinsdag 30 september 2008

Een vreemde geur

Jongelui. Vandaag gaan we het hebben over geuren. Of beter gezegd één geur. Muskus. Muskus in zijn natuurlijke vorm is de naam van een sterk ruikende afscheiding uit een klier van het muskushert. De naam wordt ook gebruikt voor geuren van andere dieren, synthetische stoffen en sommige planten. Muskus is een scherpe en naar mijn beleving wat penetrante geur.
En feromonen zijn geurstoffen die het lichaam afgeeft en die een rol spelen bij de aantrekkingskracht tussen man en vrouw. Bij mensen worden de feromonen geproduceerd en uitgescheiden door de zweetklieren. In onze maatschappij spelen feromonen een minder grote rol dan voorheen, omdat wij lichaamsgeuren zoals zweet als onprettig ervaren en ons dagelijks douchen en wassen. Onze geuren komen tegenwoordig uit een potje, flesje, spraybusje. Een van die feromonen bij de man is androstenol en die ruikt sterk naar muskus. De parfumindustrie heeft op de seksuele aantrekkingskracht van muskus handig ingespeeld en een synthetisch androstenol toegevoegd aan geurtjes voor mannen. Een spraytje en je verandert in de ogen van vrouwen in een bronstige stier.

Enige jaren geleden was ik in Kenia en om meer precies te zijn, in Diani-beach, 20 km ten zuiden van Mombasa. Het resort bestond voor het grootste deel uit wit-gepleisterde ronde huisjes met rieten daken en was hevig omheind met stalen hekken en toegangspoorten met portiers naar de straatweg en achter naar het strand en de lagune. Ik ging ‘s avonds wel eens het stikdonkere strand op en net op het moment dat je die ene ster aan het firmament bewonderde, het lauwe water aan je tenen sabbelde en genoot van de stilte, raakte een hand je aan en zei een stem: ‘You come, cheap, come’. Vandaar dus die stevige hekken.


Het hele resort stonk naar muskus. Bij het zwembad, in de huisjes, het restaurant, op het strand. Ik had er toen nog geen vermoeden van dat dat lag aan al die bronstige negers in de bediening en wees de rode aarden bodem of het voedsel als boosdoener aan. Hoe dan ook, een vieze, penetrante geur. Ik besloot er wat aan te doen en in het winkelcentrum een eind verderop een lekkere deodorant te gaan halen. Liefst Hugo Boss maar die van de HEMA was ook wel goed.


Toen ik buiten de poort was en begon aan de stevige wandeling, sloot zich direct een Bantoe (de grootste stam in Kenia, dus de kans dat ik het mis heb is gering) bij mij aan. ‘Good morning Sir’. ‘How are you?’ Ik zei dat het mij goed ging en hoopte van hem hetzelfde. O maar dat was zeker het geval, bezwoer hij. Zijn vrouw die een eind ver in de binnenlanden woonde had net een kind gekregen en over drie maanden kon hij haar, de baby en hun enige bezit, een koe, weer eens bezoeken, dus dat zat wel goed. ‘Sir.’


Waarvoor ik hier was, vroeg hij. Ik vertelde over het grote internationale, diergeneeskundige epidemiologische congres dat volgende week in Nairobi zou beginnen en dat ik vooraf wat verpozing zocht. Nou dat begreep hij en het vond het ook heel slim van mij om juist hier die verpozing te zoeken en nodigde mij uit volgend jaar zijn koe eens te bekijken want die deed het niet zo goed. Nou, ik vertelde hem dat ik daar graag op in zou gaan maar niet zeker wist of ik dat jaar ook weer in Kenia zou zijn.


Ik vroeg hem wat hij voor de dagelijkse kost deed. ‘Praten’ zei hij. ‘Praten?’ Ja. Ik vermoedde dat hij een advocaat was of dat hij ergens in les gaf. Misschien had ik hem niet goed verstaan. Ik liet het erbij en we vervolgden ons pad. Dicht bij de mall gekomen zei ik hem dat hier ons gesprek eindigde omdat aan de andere kant van de weg mijn doel voor die ochtend lag. Hij knikte begrijpend en hield zijn hand op. Eerst begreep ik het niet en wilde de hand schudden. Maar hij keek zeer nadrukkelijk. En toen ging mij een licht op. Hij verdiende met praten, gewoon aan de weg, tegen passanten, terwijl hij een stukje met hen meeliep. Ik vond dat een ludieke dagvulling. En beloonde dat evenredig, vond ik. Hij niet. Ik legde er nog een muntje bij en stak over. God hoorde hem vloeken.


Het winkelcentrum was gebouwd in een halve cirkel en al gauw zag ik de plaatselijke drogisterij. Er hing geen gaper aan de muur, maar er stond wel een Masaï-krijger voor de deur. Ook leuk. Een grote krijger met met een rode doek om zich heen en een echte speer. Hij glom in de zon. Die Masaï bedoel ik. Hij had de trotse zo niet hooghartige houding die vele Masaï kenmerkt en de mooie huid die naar zeggen het resultaat is van een dieet dat slechts bestaat uit vlees, melk en
bloed, niet van hun schoonmoeder maar van een koe als die te weinig melk gaf. Ze tappen dan een half litertje af, houden de wond een tijdje dicht en geven de koe een klap op zijn kont zodat die weer terug naar zijn vriendinnen hobbelt.

Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat de krijger echt was. Geen etalage-pop maar vlees en bloed; zijn eigen dieet dus eigenlijk. Geïmponeerd door zijn verschijning liep ik met een boog om de Masaï heen, haastte me naar de afdeling geuren, pakte een willekeurige oksel-verfrisser, rekende af, liep weer met nog een boog om de krijger heen, keek of de advocaat er nog was en zette mijn terugtocht in.


Thuis achter de veilige hekken van het resort en terug in mijn onderkomen, gaf ik een flinke dreun op de deodorant; elke oksel één. En toen rook ik het. Het deodorant stonk naar muskus.

zaterdag 27 september 2008

150 jaar fopspeen

Paus Benedictus XVI bezocht recent Lourdes om het 150 jarig bestaan van het wonder van de verschijning van Maria aldaar te celebreren. Sarkozy maakte daar nog een lekker marketing-stuntje van door de tachtigjarige kerkvorst ook even naar Parijs te slepen, een happening waar een kwart-miljoen Fransen op af kwam en die in het officiële draaiboek van het Vaticaan niet voorkwam.

Lourdes is het oord waar Bernadette Soubirous, Maria ontmoette en het heilzaam water deed stromen. Ik ben daar drie keer geweest. Ik heb een zekere fascinatie voor devotie. Drie keer rondgekeken in het dorp en bij de grot en drie keer met andere emotie en andere perceptie. Eerst met afschuw over de commercie en de uitbuiting en de laatste keer met begrip voor de heilzame werking van de hoop en liefde die daar geboden wordt. De hoop voor hopelozen. De hoop die niet gegeven wordt door de cijfers/feitjes/kennis-maatschappij maar wel door bout geloof.

Dit schreef ik bij mijn eerste contact 20 jaar geleden.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Lourdes, 31 mei 1989

‘Mère du Sauveur, priez pour nous!’
O, Lourdes.
‘Avé……………!’
‘Avé…………….!’
‘Avé Maria…..!’
De maagd Maria, Notre-Dame de Lourdes, Our Lady of Lourdes, Gospa od Lourda, Nuestra Senora de Lourdes, Miesac Mary I Lourdes, Nossa Senhora de Lourdes. Lourdes dus.
En daar gaan ze.
Allemaal op weg naar Lourdes.
‘Seigneur, nous vous adorons!’
De kreupelen, de lammen en de gebochelden.
‘Seigneur, si vous voulez, vous pouvez me guérir!’
De doven, de stommen en de blinden.
‘Seigneur, faites que je vois!’
Een glas bronwater, een onderdompeling, een kaars, een gebed.
‘Credo in unum Deum, Patrem omnipotentem…!’
Geloof en hoop.
‘Jésus, Fils de Marie, ayez pitié de nous!’
Karretje na karretje, getrokken door een familielid, of door vrijwilligers, les brancardiers.
‘Bienheureuse Bernadette, priez pour nous.’
Bernadette. Het hoge woord is er uit.
Bernadette Soubirous, daar begint het allemaal mee. In 1858 een veertienjarig wat ziekelijk meisje. Op 11 februari van dat jaar waren Bernadette, haar jongere zusje Toinette en een vriendinnetje op weg gestuurd om enig hout te halen. Op hun



wandeling kwamen zij in een grot terecht. Bernadette hoorde daar een zacht gehuil.
Zij keek op…..
‘Ik kon niets meer zeggen en ik wist helemaal niet meer wat ik denken moest, want toen ik mijn hoofd naar de grot richtte, zag ik bij de opening in de rots een struik, eentje maar, heen en weer zwaaien alsof het hard woei. Bijna tegelijkertijd kwam van binnen uit de grot een gouden wolk en daarna een jonge en mooie dame, zo mooi als ik nog nooit had gezien. Ze ging in de opening staan, boven de struik. Ze keek me aan, glimlachte en gebaarde me dichterbij te komen, net alsof zij mijn moeder was.’
Alleen Bernadette zag de gedaante. Zij ging steeds weer naar de grot toe. ‘Zij’ verscheen haar daar achttien keer. Pas bij de derde keer sprak de dame en verzocht Bernadette om veertien dagen achtereen naar de grot te komen. En ‘Drink uit de bron en was je in het water.’ En later ‘Zeg tegen de priesters dat ze hier een kapel moeten bouwen en in processie hierheen moeten komen.’
Dat drinken uit de bron was wat lastig want er was geen bron. Het kind krabde dus spontaan de grond open en weldra liep er een dun straaltje water over de grond. De wonderbron was geboren.
Pas nadat de jonge heilige in wording herhaaldelijk naar haar identiteit had gevraagd, zei de wonderschone vrouw in boerendialect:
‘Qué soy éra Immaculada Councepsion’ ofwel ‘Ik ben de conceptio immaculata (de onbevlekte ontvangenis).’
Een groot deel van de bewijsvoering dat we hier met een echt wonder te maken hadden, draait om deze laatste opmerking. Hoe kon een ongeletterd kind van amper 14 jaar een dergelijk moeilijk theologisch begrip verzonnen hebben. ‘Immaculada Councepsion.’ Het kind heeft dat woord nooit gehoord, kan het helemaal nooit gehoord hebben. Dit moest echt gezegd zijn door Maria. Aldus Roomse vorsers. In zijn ‘Pyreneeënboek’ geeft Tucholsky hiervoor echter een andere en vrij logisch klinkende verklaring. Drie jaar voor de beschreven gebeurtenis, op 8 december 1854, was door Pius IX het dogma van de conceptio immaculata afgekondigd, dat bijna evenveel opzien had gebaard als de onfeilbaarheid van de Paus. De Bernadette-traktaatjes en andere –literatuur verzwijgen angstvallig dat ten tijde van het wonder het dogma al geruime tijd, ex cathedra afgekondigd, ter tafel had gelegen. Het was dus niet alleen mogelijk, maar zelfs hoogstwaarschijnlijk, dat het kind deze uitdrukking van de priesters had opgevangen, zonder die te begrijpen. En we weten hoe Latijn werkt op degenen die het niet verstaan.
Ook nu weer ontstond veel politiek gekrakeel, hallucinaties van een ziek kind werden een politieke affaire, maar Napoleon III hakte de knoop door. Het land had zijn wonder.
Bernadette heeft er weinig lol aan beleefd. Toen het oord eenmaal tot bedevaartplaats was verheven, mocht Bernadette de commercie geen concurrentie aandoen en werd in 1866, op 22-jarige leeftijd overgebracht naar het moederklooster van de orde van Soeurs de la Charité de Nevers, en daar stierf ze op de leeftijd van 35 jaar. In verband met haar naderende zaligverklaring hebben ze haar in 1929 opgegraven en tentoongesteld in een glazen kist in de Chapelle du Couvent St-Gildars te Nevers. Zij is daar nog steeds te bewonderen.
De zieken en anderszins misdeelden stroomden toe. In 1873 kwamen 140.000 pelgrims, in 1908, 400.000 en in 1988 was het miljoen bereikt. Hele busladingen tegelijk worden over het dorp uitgestort. De plaatselijke middenstand heeft hier gewijd op in gespeeld en overspoelt de nauwe straatjes met alle maten plastic flesjes in de vorm van Maria, waarin het genezing-brengende water kan worden opgevangen. Maria’s met elektrieke illuminaties, Maria in hout, in gips, op papier en in reliëf, aan een ketting, op een ring, Bernadette als speelfilm op video, Bernadette op een ansichtkaart, de Paus op bedevaart, bij de bron, en een menigte zegenend, grote jerry-cans om nog meer water op te vangen ……….. En daar tussendoor slalommen de invalide-wagentjes met de hopenden en de hopelozen. Op zoek naar genezing.
Achter de grot, gelegen tegen een heuvel, liggen vlak achter elkaar twee kathedralen. De laagst gelegen kerk spreidt twee trappen als armen naar de stad uit. Het dak wordt gesierd door een helblauwe/gouden kroon met een doorsnede van pakweg 15 meter. Binnen zijn de muren bekleed met rechthoekige marmeren tegels van allen gelijk afmetingen en allen met de inscriptie ‘Merci’. Soms staat de naam van de afzender bij vermeld en heel soms was de dankbaarheid zo groot dat er een grotere plaat werd aangeschaft zodat het hele verhaal van de genezing er in gebeiteld kon worden.
De bovenste kerk is kennelijk bedoeld om nog meer devotie uit te lokken. Een trapje dichter bij Maria. Hier is ook een gebedskapel. In de gang ernaar toe staat een in korte pij geklede figuur tegen de muur geleund. Doodstil. Modderige voeten in sandalen, stoffig kort haar en een onbestemd doch verstild jong gezicht. Ook bij nadere beschouwing kan ik niet achter de sexe van deze asceet komen. Eerst denk ik dat het een jongen is, maar later neig ik weer tot een jonge vrouw. Zij/hij ziet er slecht en moe uit. Hij/zij schijnt niet van zijn/haar omgeving bewust te zijn en kijkt met naar binnengekeerde blik naar de tenen. Ik besluit dat het een jonge uitvoering is van Franciscus van Assissi die op zoek is naar innerlijke vrede. Deze oplossing schenkt mij in ieder geval vrede en ik zorg dat ik zo snel mogelijk buiten kom.
O, Lourdes.
Ocharme.
‘Et expecto resurrectionem mortuorum’.
‘Et vitam venture seaculi.’
Amen.
O, Lourdes.
Ocharme.

Tucholsky in 1930: ‘Deze georganiseerde bedevaarttochten met de trein en met korting op kaartjes, deze elektrisch geïllumineerde kerk, die eruit ziet als een feestzaal in Montmartre, de gruwelijke prullaria, die er de toon aangeven, niet alleen in de domme winkels, maar ook in de kerken zelf, deze ongodvruchtig opgezette altaren, schrijnen, ornamenten, kleden, lichtarmaturen: dat heeft zelfs met industriële productie niets te maken’.
En dan de grot. De grot zelve.
‘Bienheureuse Bernadette, priez pour nous!’
Het laat geen twijfel, de armzalige bron van Bernadette produceert inmiddels 1200 hectoliter water per dag. Aangetoond. Van niets naar 1200 hectoliter. Alsoffeme dat geen wonder is. Wat is dan wel een wonder.
In Lourdes wordt de volgende regel gehanteerd: ‘Zulke genezingen komen in de medische wetenschap niet voor – ze dragen dus een bovennatuurlijk en niet geneeskundig karakter’. ’Bovendien gelden twee zaken: ‘Het gaat niet om een zenuwziekte’ en ‘De genezing moet onmiddellijk intreden’. Zo dat weten we dan. Een wonder kan geen zenuwziekte betreffen, geeft onmiddellijke genezing en we, de medische wetenschap, snappen het niet en dus is het bovennatuurlijk.
Welk een hoogmoed. De wetenschap kent het niet en dus is het een wonder. ‘De Wetenschap………’. Alsof er buiten de huidige kennis geen zaken onbekend zijn, immers nog ontdekt moeten worden. Of nooit ontdekt zullen worden omdat het vernuft van de ‘wetenschap’ niet toereikend is. Een wonder? Een wonder? Steek uw neus dan in de boeken, leer iets en denk na, waarom de genezing dan toch nog tot stand is gekomen, langs welke weg, door welke invloeden……
Te grofvingerig om dit weefsel uiteen te rafelen, transponeren zij krachten die ze niet kennen naar buiten toe en daar staat Moeder Maria in haar volle pracht.
‘Krachten die we niet kennen? Er zijn geen krachten die we niet kennen! Nee, nou nog mooier! Klets toch niet over onbekende krachten. Die zijn van God’.
O, Lourdes.
Verkeerd geplaatst in de tijd. Groot anachronisme.
Voor de grot staat een enorme, drie etage hoge, ronde kandelaar. Daar kan men zijn kaarsen in plaatsen naar gelang van grootte, en dat is weer afhankelijk van de hoeveelheid duiten die men even tevoren heeft willen neertellen om dankbaarheid en/of financieel welbevinden tot uitdrukking te brengen. Rechts achter de kandelaar staat Maria, iets hoger in de grot geplaatst. Monsieur Fabisch uit Lyon maakte dat beeld voor 7000 francs. Toen Bernadette dat beeld zag antwoordde ze op de vraag: ‘Is dat jouw Maagd zoals jij die gezien hebt’ met ‘In de verste verte niet’.
Nu lopen er lopen er miljoenen mensen onder door, raken de rots aan en kussen die. De rots is er van uitgesleten. En dan links, daar hoog, hangen de stoffelijke bewijzen van de wonderen. Enige tientallen krukken aan een waslijn. Kennelijk spontaan daar achtergelaten, waarna de eigenaars vrolijk huppelend en Bernadette dankend, ‘Mercie’, het bedevaartoord uit stoven. De beheerder die ’s avonds niet wist wat hij met deze prothesen moest doen, hing ze op. Een normaal mens zou ze naar het depot ‘gevonden voorwerpen’ brengen, maar in deze contreien hangt men ze aan een waslijn en zet er een collectebus bij.
O, Lourdes.
Ocharme
Worden er in Lourdes dan geen wonderbaarlijke genezingen geregistreerd? Jawel. In 1858: 27, in 1883: 145 en in 1903: 133. Sindsdien zit er stevig de klad in. Ondanks de toenemende stroom bezoekers. Zijn de geregistreerde genezingen dan geen genezingen? Waarschijnlijk toch wel. Maar of het wonderen zijn? Eerder ‘self fullfilling prophecies’. Bechterev zegt in ‘Bedeutung der Suggestion fϋr das socialen Leben’: ‘De grond voor de toekomstige genezingen wordt reeds voorbereid op het moment dat de zieke voor het eerst het gerucht verneemt over de wonderbaarlijke kracht van het heiligdom en in zijn ziel het eerste vonkje hoop is aangeblazen’.
O, Lourdes.
Jij gelooft in geen God.
Jij verafgoodt Mammon.
‘Seigneur, faites que je marche!’
Ik vind het genoeg. Ik neem zelfs geen souvenir mee van deze religieuze kermis, deze katholieke lotto, deze schandelijk fopspeen.
Ik ga hier weg.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
In het jubileumjaar 2008 worden er 8 miljoen bezoekers verwacht. De meningen over genezingen en wonderen zijn met de tijd mee-geëvalueerd.

Prof. Michel, hoofd van het Medisch Comité van Lourdes zegt anno 2008 daarover:
‘Van buiten uit werd de bedevaart naar Lourdes lange tijd gezien als een vraag om een miraculeuze genezing. Waarom ook niet, maar Lourdes zou niet mogen herleid worden tot genezing/geen genezing. Voor de Kerk en evengoed voor de pelgrim is een bedevaart naar Maria heel wat meer dan een trip naar het mirakel. Het is een gebeuren van liefde, gebed en eenheid onder de lijdenden. In Lourdes geraakt de zieke uit het isolement van zijn bed, kamer of ziekenhuis, en in een wereld van efficiëntie krijgt hij de eerste plaats’.
‘Van buiten uit’. Huh? Dus de clerus en consorten zagen het anders? Geneuzel. De kerk heeft de miraculeuze genezingen jarenlang gecelebreerd en bezongen. ‘Waarom ook niet’ zegt hij erbij. Ja, dag, bedenk eens wat beters.
Let wel, in Lourdes is de laatste 20 jaar niks veranderd. De commerciële troep is er nog, de geldmakerij, de kaarsen, het beeld, kerken, les brancadiers, de video’s zijn dvd’s geworden, en de prothesen zijn weg.
En het hoofdthema blijft de verschijning van Maria. Het wonder. En dat viert Benedictus in 2008. Nergens is het hoofdthema de patiënt en nergens is het thema van de flyers en traktaten ‘eenheid onder de lijdenden’. Nergens.
Soit.