dinsdag 30 september 2008

Een vreemde geur

Jongelui. Vandaag gaan we het hebben over geuren. Of beter gezegd één geur. Muskus. Muskus in zijn natuurlijke vorm is de naam van een sterk ruikende afscheiding uit een klier van het muskushert. De naam wordt ook gebruikt voor geuren van andere dieren, synthetische stoffen en sommige planten. Muskus is een scherpe en naar mijn beleving wat penetrante geur.
En feromonen zijn geurstoffen die het lichaam afgeeft en die een rol spelen bij de aantrekkingskracht tussen man en vrouw. Bij mensen worden de feromonen geproduceerd en uitgescheiden door de zweetklieren. In onze maatschappij spelen feromonen een minder grote rol dan voorheen, omdat wij lichaamsgeuren zoals zweet als onprettig ervaren en ons dagelijks douchen en wassen. Onze geuren komen tegenwoordig uit een potje, flesje, spraybusje. Een van die feromonen bij de man is androstenol en die ruikt sterk naar muskus. De parfumindustrie heeft op de seksuele aantrekkingskracht van muskus handig ingespeeld en een synthetisch androstenol toegevoegd aan geurtjes voor mannen. Een spraytje en je verandert in de ogen van vrouwen in een bronstige stier.

Enige jaren geleden was ik in Kenia en om meer precies te zijn, in Diani-beach, 20 km ten zuiden van Mombasa. Het resort bestond voor het grootste deel uit wit-gepleisterde ronde huisjes met rieten daken en was hevig omheind met stalen hekken en toegangspoorten met portiers naar de straatweg en achter naar het strand en de lagune. Ik ging ‘s avonds wel eens het stikdonkere strand op en net op het moment dat je die ene ster aan het firmament bewonderde, het lauwe water aan je tenen sabbelde en genoot van de stilte, raakte een hand je aan en zei een stem: ‘You come, cheap, come’. Vandaar dus die stevige hekken.


Het hele resort stonk naar muskus. Bij het zwembad, in de huisjes, het restaurant, op het strand. Ik had er toen nog geen vermoeden van dat dat lag aan al die bronstige negers in de bediening en wees de rode aarden bodem of het voedsel als boosdoener aan. Hoe dan ook, een vieze, penetrante geur. Ik besloot er wat aan te doen en in het winkelcentrum een eind verderop een lekkere deodorant te gaan halen. Liefst Hugo Boss maar die van de HEMA was ook wel goed.


Toen ik buiten de poort was en begon aan de stevige wandeling, sloot zich direct een Bantoe (de grootste stam in Kenia, dus de kans dat ik het mis heb is gering) bij mij aan. ‘Good morning Sir’. ‘How are you?’ Ik zei dat het mij goed ging en hoopte van hem hetzelfde. O maar dat was zeker het geval, bezwoer hij. Zijn vrouw die een eind ver in de binnenlanden woonde had net een kind gekregen en over drie maanden kon hij haar, de baby en hun enige bezit, een koe, weer eens bezoeken, dus dat zat wel goed. ‘Sir.’


Waarvoor ik hier was, vroeg hij. Ik vertelde over het grote internationale, diergeneeskundige epidemiologische congres dat volgende week in Nairobi zou beginnen en dat ik vooraf wat verpozing zocht. Nou dat begreep hij en het vond het ook heel slim van mij om juist hier die verpozing te zoeken en nodigde mij uit volgend jaar zijn koe eens te bekijken want die deed het niet zo goed. Nou, ik vertelde hem dat ik daar graag op in zou gaan maar niet zeker wist of ik dat jaar ook weer in Kenia zou zijn.


Ik vroeg hem wat hij voor de dagelijkse kost deed. ‘Praten’ zei hij. ‘Praten?’ Ja. Ik vermoedde dat hij een advocaat was of dat hij ergens in les gaf. Misschien had ik hem niet goed verstaan. Ik liet het erbij en we vervolgden ons pad. Dicht bij de mall gekomen zei ik hem dat hier ons gesprek eindigde omdat aan de andere kant van de weg mijn doel voor die ochtend lag. Hij knikte begrijpend en hield zijn hand op. Eerst begreep ik het niet en wilde de hand schudden. Maar hij keek zeer nadrukkelijk. En toen ging mij een licht op. Hij verdiende met praten, gewoon aan de weg, tegen passanten, terwijl hij een stukje met hen meeliep. Ik vond dat een ludieke dagvulling. En beloonde dat evenredig, vond ik. Hij niet. Ik legde er nog een muntje bij en stak over. God hoorde hem vloeken.


Het winkelcentrum was gebouwd in een halve cirkel en al gauw zag ik de plaatselijke drogisterij. Er hing geen gaper aan de muur, maar er stond wel een Masaï-krijger voor de deur. Ook leuk. Een grote krijger met met een rode doek om zich heen en een echte speer. Hij glom in de zon. Die Masaï bedoel ik. Hij had de trotse zo niet hooghartige houding die vele Masaï kenmerkt en de mooie huid die naar zeggen het resultaat is van een dieet dat slechts bestaat uit vlees, melk en
bloed, niet van hun schoonmoeder maar van een koe als die te weinig melk gaf. Ze tappen dan een half litertje af, houden de wond een tijdje dicht en geven de koe een klap op zijn kont zodat die weer terug naar zijn vriendinnen hobbelt.

Toen ik dichterbij kwam, zag ik dat de krijger echt was. Geen etalage-pop maar vlees en bloed; zijn eigen dieet dus eigenlijk. Geïmponeerd door zijn verschijning liep ik met een boog om de Masaï heen, haastte me naar de afdeling geuren, pakte een willekeurige oksel-verfrisser, rekende af, liep weer met nog een boog om de krijger heen, keek of de advocaat er nog was en zette mijn terugtocht in.


Thuis achter de veilige hekken van het resort en terug in mijn onderkomen, gaf ik een flinke dreun op de deodorant; elke oksel één. En toen rook ik het. Het deodorant stonk naar muskus.

zaterdag 27 september 2008

150 jaar fopspeen

Paus Benedictus XVI bezocht recent Lourdes om het 150 jarig bestaan van het wonder van de verschijning van Maria aldaar te celebreren. Sarkozy maakte daar nog een lekker marketing-stuntje van door de tachtigjarige kerkvorst ook even naar Parijs te slepen, een happening waar een kwart-miljoen Fransen op af kwam en die in het officiële draaiboek van het Vaticaan niet voorkwam.

Lourdes is het oord waar Bernadette Soubirous, Maria ontmoette en het heilzaam water deed stromen. Ik ben daar drie keer geweest. Ik heb een zekere fascinatie voor devotie. Drie keer rondgekeken in het dorp en bij de grot en drie keer met andere emotie en andere perceptie. Eerst met afschuw over de commercie en de uitbuiting en de laatste keer met begrip voor de heilzame werking van de hoop en liefde die daar geboden wordt. De hoop voor hopelozen. De hoop die niet gegeven wordt door de cijfers/feitjes/kennis-maatschappij maar wel door bout geloof.

Dit schreef ik bij mijn eerste contact 20 jaar geleden.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Lourdes, 31 mei 1989

‘Mère du Sauveur, priez pour nous!’
O, Lourdes.
‘Avé……………!’
‘Avé…………….!’
‘Avé Maria…..!’
De maagd Maria, Notre-Dame de Lourdes, Our Lady of Lourdes, Gospa od Lourda, Nuestra Senora de Lourdes, Miesac Mary I Lourdes, Nossa Senhora de Lourdes. Lourdes dus.
En daar gaan ze.
Allemaal op weg naar Lourdes.
‘Seigneur, nous vous adorons!’
De kreupelen, de lammen en de gebochelden.
‘Seigneur, si vous voulez, vous pouvez me guérir!’
De doven, de stommen en de blinden.
‘Seigneur, faites que je vois!’
Een glas bronwater, een onderdompeling, een kaars, een gebed.
‘Credo in unum Deum, Patrem omnipotentem…!’
Geloof en hoop.
‘Jésus, Fils de Marie, ayez pitié de nous!’
Karretje na karretje, getrokken door een familielid, of door vrijwilligers, les brancardiers.
‘Bienheureuse Bernadette, priez pour nous.’
Bernadette. Het hoge woord is er uit.
Bernadette Soubirous, daar begint het allemaal mee. In 1858 een veertienjarig wat ziekelijk meisje. Op 11 februari van dat jaar waren Bernadette, haar jongere zusje Toinette en een vriendinnetje op weg gestuurd om enig hout te halen. Op hun



wandeling kwamen zij in een grot terecht. Bernadette hoorde daar een zacht gehuil.
Zij keek op…..
‘Ik kon niets meer zeggen en ik wist helemaal niet meer wat ik denken moest, want toen ik mijn hoofd naar de grot richtte, zag ik bij de opening in de rots een struik, eentje maar, heen en weer zwaaien alsof het hard woei. Bijna tegelijkertijd kwam van binnen uit de grot een gouden wolk en daarna een jonge en mooie dame, zo mooi als ik nog nooit had gezien. Ze ging in de opening staan, boven de struik. Ze keek me aan, glimlachte en gebaarde me dichterbij te komen, net alsof zij mijn moeder was.’
Alleen Bernadette zag de gedaante. Zij ging steeds weer naar de grot toe. ‘Zij’ verscheen haar daar achttien keer. Pas bij de derde keer sprak de dame en verzocht Bernadette om veertien dagen achtereen naar de grot te komen. En ‘Drink uit de bron en was je in het water.’ En later ‘Zeg tegen de priesters dat ze hier een kapel moeten bouwen en in processie hierheen moeten komen.’
Dat drinken uit de bron was wat lastig want er was geen bron. Het kind krabde dus spontaan de grond open en weldra liep er een dun straaltje water over de grond. De wonderbron was geboren.
Pas nadat de jonge heilige in wording herhaaldelijk naar haar identiteit had gevraagd, zei de wonderschone vrouw in boerendialect:
‘Qué soy éra Immaculada Councepsion’ ofwel ‘Ik ben de conceptio immaculata (de onbevlekte ontvangenis).’
Een groot deel van de bewijsvoering dat we hier met een echt wonder te maken hadden, draait om deze laatste opmerking. Hoe kon een ongeletterd kind van amper 14 jaar een dergelijk moeilijk theologisch begrip verzonnen hebben. ‘Immaculada Councepsion.’ Het kind heeft dat woord nooit gehoord, kan het helemaal nooit gehoord hebben. Dit moest echt gezegd zijn door Maria. Aldus Roomse vorsers. In zijn ‘Pyreneeënboek’ geeft Tucholsky hiervoor echter een andere en vrij logisch klinkende verklaring. Drie jaar voor de beschreven gebeurtenis, op 8 december 1854, was door Pius IX het dogma van de conceptio immaculata afgekondigd, dat bijna evenveel opzien had gebaard als de onfeilbaarheid van de Paus. De Bernadette-traktaatjes en andere –literatuur verzwijgen angstvallig dat ten tijde van het wonder het dogma al geruime tijd, ex cathedra afgekondigd, ter tafel had gelegen. Het was dus niet alleen mogelijk, maar zelfs hoogstwaarschijnlijk, dat het kind deze uitdrukking van de priesters had opgevangen, zonder die te begrijpen. En we weten hoe Latijn werkt op degenen die het niet verstaan.
Ook nu weer ontstond veel politiek gekrakeel, hallucinaties van een ziek kind werden een politieke affaire, maar Napoleon III hakte de knoop door. Het land had zijn wonder.
Bernadette heeft er weinig lol aan beleefd. Toen het oord eenmaal tot bedevaartplaats was verheven, mocht Bernadette de commercie geen concurrentie aandoen en werd in 1866, op 22-jarige leeftijd overgebracht naar het moederklooster van de orde van Soeurs de la Charité de Nevers, en daar stierf ze op de leeftijd van 35 jaar. In verband met haar naderende zaligverklaring hebben ze haar in 1929 opgegraven en tentoongesteld in een glazen kist in de Chapelle du Couvent St-Gildars te Nevers. Zij is daar nog steeds te bewonderen.
De zieken en anderszins misdeelden stroomden toe. In 1873 kwamen 140.000 pelgrims, in 1908, 400.000 en in 1988 was het miljoen bereikt. Hele busladingen tegelijk worden over het dorp uitgestort. De plaatselijke middenstand heeft hier gewijd op in gespeeld en overspoelt de nauwe straatjes met alle maten plastic flesjes in de vorm van Maria, waarin het genezing-brengende water kan worden opgevangen. Maria’s met elektrieke illuminaties, Maria in hout, in gips, op papier en in reliëf, aan een ketting, op een ring, Bernadette als speelfilm op video, Bernadette op een ansichtkaart, de Paus op bedevaart, bij de bron, en een menigte zegenend, grote jerry-cans om nog meer water op te vangen ……….. En daar tussendoor slalommen de invalide-wagentjes met de hopenden en de hopelozen. Op zoek naar genezing.
Achter de grot, gelegen tegen een heuvel, liggen vlak achter elkaar twee kathedralen. De laagst gelegen kerk spreidt twee trappen als armen naar de stad uit. Het dak wordt gesierd door een helblauwe/gouden kroon met een doorsnede van pakweg 15 meter. Binnen zijn de muren bekleed met rechthoekige marmeren tegels van allen gelijk afmetingen en allen met de inscriptie ‘Merci’. Soms staat de naam van de afzender bij vermeld en heel soms was de dankbaarheid zo groot dat er een grotere plaat werd aangeschaft zodat het hele verhaal van de genezing er in gebeiteld kon worden.
De bovenste kerk is kennelijk bedoeld om nog meer devotie uit te lokken. Een trapje dichter bij Maria. Hier is ook een gebedskapel. In de gang ernaar toe staat een in korte pij geklede figuur tegen de muur geleund. Doodstil. Modderige voeten in sandalen, stoffig kort haar en een onbestemd doch verstild jong gezicht. Ook bij nadere beschouwing kan ik niet achter de sexe van deze asceet komen. Eerst denk ik dat het een jongen is, maar later neig ik weer tot een jonge vrouw. Zij/hij ziet er slecht en moe uit. Hij/zij schijnt niet van zijn/haar omgeving bewust te zijn en kijkt met naar binnengekeerde blik naar de tenen. Ik besluit dat het een jonge uitvoering is van Franciscus van Assissi die op zoek is naar innerlijke vrede. Deze oplossing schenkt mij in ieder geval vrede en ik zorg dat ik zo snel mogelijk buiten kom.
O, Lourdes.
Ocharme.
‘Et expecto resurrectionem mortuorum’.
‘Et vitam venture seaculi.’
Amen.
O, Lourdes.
Ocharme.

Tucholsky in 1930: ‘Deze georganiseerde bedevaarttochten met de trein en met korting op kaartjes, deze elektrisch geïllumineerde kerk, die eruit ziet als een feestzaal in Montmartre, de gruwelijke prullaria, die er de toon aangeven, niet alleen in de domme winkels, maar ook in de kerken zelf, deze ongodvruchtig opgezette altaren, schrijnen, ornamenten, kleden, lichtarmaturen: dat heeft zelfs met industriële productie niets te maken’.
En dan de grot. De grot zelve.
‘Bienheureuse Bernadette, priez pour nous!’
Het laat geen twijfel, de armzalige bron van Bernadette produceert inmiddels 1200 hectoliter water per dag. Aangetoond. Van niets naar 1200 hectoliter. Alsoffeme dat geen wonder is. Wat is dan wel een wonder.
In Lourdes wordt de volgende regel gehanteerd: ‘Zulke genezingen komen in de medische wetenschap niet voor – ze dragen dus een bovennatuurlijk en niet geneeskundig karakter’. ’Bovendien gelden twee zaken: ‘Het gaat niet om een zenuwziekte’ en ‘De genezing moet onmiddellijk intreden’. Zo dat weten we dan. Een wonder kan geen zenuwziekte betreffen, geeft onmiddellijke genezing en we, de medische wetenschap, snappen het niet en dus is het bovennatuurlijk.
Welk een hoogmoed. De wetenschap kent het niet en dus is het een wonder. ‘De Wetenschap………’. Alsof er buiten de huidige kennis geen zaken onbekend zijn, immers nog ontdekt moeten worden. Of nooit ontdekt zullen worden omdat het vernuft van de ‘wetenschap’ niet toereikend is. Een wonder? Een wonder? Steek uw neus dan in de boeken, leer iets en denk na, waarom de genezing dan toch nog tot stand is gekomen, langs welke weg, door welke invloeden……
Te grofvingerig om dit weefsel uiteen te rafelen, transponeren zij krachten die ze niet kennen naar buiten toe en daar staat Moeder Maria in haar volle pracht.
‘Krachten die we niet kennen? Er zijn geen krachten die we niet kennen! Nee, nou nog mooier! Klets toch niet over onbekende krachten. Die zijn van God’.
O, Lourdes.
Verkeerd geplaatst in de tijd. Groot anachronisme.
Voor de grot staat een enorme, drie etage hoge, ronde kandelaar. Daar kan men zijn kaarsen in plaatsen naar gelang van grootte, en dat is weer afhankelijk van de hoeveelheid duiten die men even tevoren heeft willen neertellen om dankbaarheid en/of financieel welbevinden tot uitdrukking te brengen. Rechts achter de kandelaar staat Maria, iets hoger in de grot geplaatst. Monsieur Fabisch uit Lyon maakte dat beeld voor 7000 francs. Toen Bernadette dat beeld zag antwoordde ze op de vraag: ‘Is dat jouw Maagd zoals jij die gezien hebt’ met ‘In de verste verte niet’.
Nu lopen er lopen er miljoenen mensen onder door, raken de rots aan en kussen die. De rots is er van uitgesleten. En dan links, daar hoog, hangen de stoffelijke bewijzen van de wonderen. Enige tientallen krukken aan een waslijn. Kennelijk spontaan daar achtergelaten, waarna de eigenaars vrolijk huppelend en Bernadette dankend, ‘Mercie’, het bedevaartoord uit stoven. De beheerder die ’s avonds niet wist wat hij met deze prothesen moest doen, hing ze op. Een normaal mens zou ze naar het depot ‘gevonden voorwerpen’ brengen, maar in deze contreien hangt men ze aan een waslijn en zet er een collectebus bij.
O, Lourdes.
Ocharme
Worden er in Lourdes dan geen wonderbaarlijke genezingen geregistreerd? Jawel. In 1858: 27, in 1883: 145 en in 1903: 133. Sindsdien zit er stevig de klad in. Ondanks de toenemende stroom bezoekers. Zijn de geregistreerde genezingen dan geen genezingen? Waarschijnlijk toch wel. Maar of het wonderen zijn? Eerder ‘self fullfilling prophecies’. Bechterev zegt in ‘Bedeutung der Suggestion fϋr das socialen Leben’: ‘De grond voor de toekomstige genezingen wordt reeds voorbereid op het moment dat de zieke voor het eerst het gerucht verneemt over de wonderbaarlijke kracht van het heiligdom en in zijn ziel het eerste vonkje hoop is aangeblazen’.
O, Lourdes.
Jij gelooft in geen God.
Jij verafgoodt Mammon.
‘Seigneur, faites que je marche!’
Ik vind het genoeg. Ik neem zelfs geen souvenir mee van deze religieuze kermis, deze katholieke lotto, deze schandelijk fopspeen.
Ik ga hier weg.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
In het jubileumjaar 2008 worden er 8 miljoen bezoekers verwacht. De meningen over genezingen en wonderen zijn met de tijd mee-geëvalueerd.

Prof. Michel, hoofd van het Medisch Comité van Lourdes zegt anno 2008 daarover:
‘Van buiten uit werd de bedevaart naar Lourdes lange tijd gezien als een vraag om een miraculeuze genezing. Waarom ook niet, maar Lourdes zou niet mogen herleid worden tot genezing/geen genezing. Voor de Kerk en evengoed voor de pelgrim is een bedevaart naar Maria heel wat meer dan een trip naar het mirakel. Het is een gebeuren van liefde, gebed en eenheid onder de lijdenden. In Lourdes geraakt de zieke uit het isolement van zijn bed, kamer of ziekenhuis, en in een wereld van efficiëntie krijgt hij de eerste plaats’.
‘Van buiten uit’. Huh? Dus de clerus en consorten zagen het anders? Geneuzel. De kerk heeft de miraculeuze genezingen jarenlang gecelebreerd en bezongen. ‘Waarom ook niet’ zegt hij erbij. Ja, dag, bedenk eens wat beters.
Let wel, in Lourdes is de laatste 20 jaar niks veranderd. De commerciële troep is er nog, de geldmakerij, de kaarsen, het beeld, kerken, les brancadiers, de video’s zijn dvd’s geworden, en de prothesen zijn weg.
En het hoofdthema blijft de verschijning van Maria. Het wonder. En dat viert Benedictus in 2008. Nergens is het hoofdthema de patiënt en nergens is het thema van de flyers en traktaten ‘eenheid onder de lijdenden’. Nergens.
Soit.

zaterdag 20 september 2008

TomTom

Na de afwasmachine is de navigator de grootste uitvinding van de laatste eeuw. De afwasmachine markeert de bevrijding van het de vrouw. De navigator die van de man. De navigator bewijst het bestaan van kunstmatige intelligentie. Immers de navigator is in staat in enkele seconden, miljoenen mogelijkheden te doorzoeken en die ene juiste route er uit te vissen. Autonoom, op ze eigge.
Dat heeft het leven van de gemiddelde chauffeur aanmerkelijk veraangenaamd. Als hij alleen in de auto zat was het zoeken van de juiste route op onbekend terrein een lastig en soms bloedstollend karwei. De kaart moest uitgevouwen en gelezen worden, er moest gestuurd en gas gegeven en soms, en tijdens het kaart lezen heel vaak, geremd worden. Nog erger was het, als een passagier, bij voorkeur de partner, de route uitzocht. Die was namelijk nooit goed. Die was altijd de verkeerd, de verkeerde kant op (kaart ondersteboven), die was nooit te vinden (verkeerde kaart), die liep over een bergje dat er niet was (scheur in de kaart) of er kwamen geen routeaanduidingen meer (mokkend: “Ik doe het ook nooit goed”. “Dat is niet waar schat, vorig jaar in de Ardeche deed je het heel aardig”. “En dat zeg je nu pas. Pas op, een tram.”).
Maar nu hebben we de eeuwig kalme, vriendelijke TomTom. ‘Aan het einde van de weg linksaf’ zegt hij articulerend. Al negeer je hem stront en rijd je viermaal rechts, TomTom herberekent de route en zegt: ‘Als het hier kan, omkeren’ of zinnen met gelijke strekking. TomTom wordt nooit boos. TomTom zal nooit zeggen: “Wat ben jij een ontzettend, maar dan ook verschrikkelijk, eigenwijs kreng”. Nee, hoor: “Over 100 meter heeft u uw bestemming bereikt”. En het klinkt alsof je het inderdaad zelf gedaan hebt.
Zijn we hier blij mee? Zijn we hier echt blij mee? Ja ik wel, in eerste instantie. Ik ben een topografische nul en eigenwijs. Deze combinatie is ideaal om overal en nergens terecht te komen. En dat deed ik dan ook.
Ik was pas in een nieuwe functie als hoofd PR der GD en samen met mijn nieuwe collega Rudolf op maiden tour langs onze verschillende locaties. Nu waren we op weg naar Drachten waar Geert Benedictus, directeur van de betreffende vestiging, ons zou opwachten. Ik stuurde en we becommentarieerden de nieuwe organisatie. We waren het er over eens dat de oplossing van concentratie van de diensten nogal wat weerstand opwekte, maar vonden eveneens dat er geen andere mogelijkheid was (of zoiets). De weg leidde naar Meppel en dat was, volgens de kaart en Rudolf, conform de gewenste route.
De weg draait onder de wielen door. Drdum, drdum. Op een routebord staat: Meppen, 15 km. Mooi, dat schoot op. Dumdedum, dumde dum. Meppen, MEPPEN? “Rudolf, er staat Meppen, niet Meppel. Ligt Meppen op onze route?” “Nee hoe zo? Meppen ligt in Duitsland.” “Er staat hier Meppen. We zijn op weg naar Meppen in Duitsland.” En Rudolf lacht zijn tanden bloot. Vanuit zijn middenrif davert de lach door de Alva. Het kaartenboek dondert van het dashboard en ik kan hem net opvangen. Ik denk aan Geert die nog meer dan een uur op ons bezoek moet wachten en dat niet leuk zal vinden.

TomTom dus. De kunstmatige, voorbehoedende, perfecte intelligentie. Die ook eigen beslissingen kan nemen door de route aan te passen als er files dreigen (ingeseind door duizenden mobieltjes die op een bepaald traject langzamer zijn gaan voortbewegen). Is dat nou leuk? Ja, zo is dat nog leuk. Maar het moet niet uit de hand lopen. Als alle menselijke twijfel en onvolkomenheden worden weggenomen door zelf-lerende systemen. Als alle gevoelsmatigheden en voorkeuren in kaart worden gebracht en ons op een dienblad worden aangereikt. Als we niet hoeven af te tasten en onze intuïtie geen nut meer heeft. Maar gelukkig is het nog niet zo ver. Intuïtie is nog steeds een goede raadgever. Menig blind geloof in TomTom is afgestraft in een doodlopende straat of erger, in het kanaal. Dan blijven we tenminste lachen.

zondag 14 september 2008

Praag

Zo ik ben gearriveerd in Praag. Na een buitengewoon saaie rit door het Duitse Saksen (?), een mooie rit door Tsjechische bergen, waar de hoeren, die aan beide zijden langs deze B-weg staan opgesteld, je ongeveer naar binnen sleuren, ben ik nu in het centrum van zonnig en dynamisch Praag. In een heerlijk hotel met een grote kamer, grote badkamer en internet (je zet je laptoppie neer en hup je bent erop, dat is overigens meer de verdienste van mijn computer dan van het hotel want ik moest wel eerst een dial up kabeltje halen). Volgens een bord in het hotel kost deze kamer 210 euro; ik betaal een fractie. Het kwijtraken van SAAB in een grote stad was wel even een (duur) probleem. Hier was de garage vol. Nu staat hij in de kelder bij Novotel een eindje verderop. Het is 40 jaar geleden dat de Russen Praag binnenvielen, een half jaar na de Praagse lente. Overal wordt dat herdacht. Het hotel ligt vlakbij het Wenceclasplein waar zich veel revolutionairs heeft afgespeeld en waar Jan Palach zich in brand heeft gestoken.

Ik ben bezig met een heerlijk boek, het debuut van John Irving ook uit 1968 "De beren los". Een citaat (de twee mannelijke hoofdpersonen bezoeken een dierentuin):

"Het Zeldzame Vogelverblijf maakte een hoop lawaai voor ons - allemaal kleine en grote dames met fantasiehoeden en gebarsten koorstemmetjes. De saai geklede condors zaten groot en oppermachtig op scheefgezakte zuilen of in wankel evenwicht op de gevallen buste van een Habsburgse grootheid. Ze hadden de sokkels van de standbeelden in beslag genomen en staarden vol wrok naar het gaas dat boven ze over de ruine was gespannen.(-) Aan de loefzijde van ons, plomp en verhit in hun tweepersoonskooi, zat een sterk geurend paartje Zeldzame Brilberen uit de Andes. Volgens het bijschrift hadden de beren een cartoon-uiterlijk. Ze keken alsof ze juist uit Ecuador waren weggelachen."

Ik ga nu maar wat eten in het hotel-restaurant. Ik hoop dat ze wat maat kennen. In Magdeburg, waar ik gisteren was, had ik wat kleins besteld. Eergisteren had ik me namelijk ongans gegeten aan de Duitse porties en de Nederlandse gewoonte je bord leeg te eten. Voor 7 euro hadden ze hier Mexicaanse wraps. Toen ze gebracht werden vervloog mijn hoop op een lichte maaltijd. Ik kon er niet overheen kijken. 3 wraps, kip, bonen, maiskolfjes, paprika enz. enz. Samen met wat garnituur salade vormden ze een gedegen avondmaaltijd voor een heel Nederlands gezin bestaand uit twee ouders, vijf kinderen en een inwonende oma. Ook in het begeleidende glas wijn (ik had een rot glas wein besteld maar wist dit nog op tijd te verbeteren in ein glas rotwein) kon je met gemak je handen wassen. Nu ja ik had een goed bodempje.

Vanuit mijn hotelraam op 3 hoog kijk ik naar de overkant. “Song Huang Nails’, ‘Tattoo DJ’s Bar’ en ‘Erotic City’ staat er op de gevels tegenover mij. Ik zit kennelijk in het zakendistrict van Praag. Strategisch op de stoep van Song Huang zit een meisje van 10, 11 jaar op een stoel naast een tafel met doos waarin wervende flyers. Als er iemand aan komt staat ze op en probeert de folder uit te venten. Dat is haar opgedragen en daarom zit ze hier. Maar ze hebben er niet bij verteld dat niet iedereen een grote nagelbeurt wenst. En dat ze heel makkelijk te herkennen zijn. Groot, kaal en stevig doorstappend. Of overall, peuk en baardstoppels. Of vier poten, ruw haar en een staart. Dochter Song is verzonken in haar eigen gedachtewereld en deelt flyers uit aan alles wat beweegt. Als de flyer niet wordt aangenomen legt ze hem terug, gaat zitten op haar stoel en zakt weer in haar droom terug.
‘Erotic City’ ligt beter in de markt. Al vanaf het moment dat ik deze kamer betrok, rond 3 uur in de middag melden zich mannen aan de ingang. Niet rijendik maar gestaag. De honger na het middagmaal blijkt groot. De dames op de foto’s in de etalage kijken zwoel en gespeeld verleidelijk in de camera. De lippen getuit, de borsten vooruit. Het werkt bij mij altijd op mijn lachspieren en denk terug aan mijn eerste bezoek aan een nachtclub, zo’n 40 jaar geleden.

Ik was klaar met mijn middelbare school en ging voor het eerst zonder ouders en met boezemvriend Engel op vakantie. Ons reisdoel was de Middellandse zee en meer omschreven het studentenvakantie complex van Sorbonne-universiteit in Cap d’Ail, een gehucht zo’n 5 kilometer ten westen van Monaco. In grote barakken met kamers met 4 stapelbedden werden we ondergebracht om overdag te luieren, ’s avonds samen te dineren en daarna in een amfitheather in de openlucht en met uitzicht op de donkere zee en links oplichtend Monaco en rechts knipperend Menton te genieten van live chansons, kamermuziek of ballet. Het effect was verpletterend. Je was achttien en je maakte kennis met de grote wereld, met de namen, de echte groten. Voordat ze naar het Jazz festival in Juan le Pins gingen of naar het pop festival van Nice, kwamen ze eerst hier oefenen voor de studenten van de Sorbonne en wat Nederlandse nitwits die toevallig via de NBBS, vakantiebureau voor studenten, hier verzeild waren geraakt. En we spraken met Jacques Dutronc, en met Francoise Hardy (“tous les garcons et les filles de mon age” was toen een dijk van een hit) bij wie we geïntroduceerd werden door de voorzitster van de Nederlandse Francoise Hardy fanclub die ook op het complex logeerde en met wie we veel optrokken, keken naar Ella Fitzgerald en Dizzy Gillespie. Kortom, we waren die kleinburgerlijke wereld uit Nederland ontvlucht en hoorden er nou bij. Nou ja. Een beetje. Aan de rand. Even.’s Nachts sliepen we weer in de barak en snorkte Engel dat het een lust was. Totdat ik in het onderste bed een trap gaf tegen de springveren van zijn bed, Engel omhoog schoot en beneden gekomen geluidloos verder sliep, totdat het geronk weer begon.
Na het concert gingen we naar Monaco. Soms lopend, vaak liftend. Dat liften lukte slecht, zodat we onze vriendinnen met een bloem achter het oor lieten opstellen aan de weg en wij ons verborgen achter de struiken. Als een auto stopte dan sprongen wij te voorschijn maar de reactie was steevast: ‘Ni les garcons, ni les garcons’’ en dan vertrokken Mireille en Marjon zonder ons. Een diepe relatie had zich in die week nog niet ontwikkeld. Meestal kwamen we ze later wel weer tegen in het nachtleven en soms ook niet. Zoals die keer dat we diep in de nacht in de nachtclub terecht kwamen. Het was vier uur in de ochtend en zelfs Monte Carlo is dan redelijk leeg op straat. We zochten een laatste pint en wilden dan via de zeeweg en een zwempartij naar huis wandelen. Vlak in de buurt van het ‘Hotel de Paris’ was een club die via een trap naar de kelder te bereiken was. Bij het afdalen keek je in een enorme spiegel die recht tegenover de ingang gehangen was. Ik had het recent in een James Bond film gezien en was behoorlijk geïmponeerd. Beneden was het leeg. Slechts 1 tafel was bezet door een man van middelbare leeftijd en een jonge vrouw. Biertjes kostten veel geld maar de show zat in de prijs.
Wij zaten ons duur betaalde biertje in spanning uit te zitten en toen het geprogrammeerde tijdstip daar was stond de jonge vrouw van het buurttafeltje op en verdween in de coulissen. We hadden het niet echt in de gaten, de drank zat in de man, maar 5 minuten later verscheen onze buurvrouw zowaar in netkousen en sexy corset op het toneel. De anticlimax was totaal. Onze sexgodin kwam van het tafeltje naast ons. De vamp uit het bovenaardse was bijna onze tafeldame. En toen ze liggend op de chaise longue tergend langzaam haar netkousen begon uit te trekken, kregen wij het zo zwaar te moede dat we slap van het lachen langzaam richting vloer verdwenen. Zo stopte onmiddellijk. De gordijnen gingen dicht en wij maakten dat we weg kwamen. Nahikkend van het lachen renden we naar de zeeweg. Toen we gezwommen hadden en de kleren weer aan hebben we de zonsopgang in zalige wetendheid afgewacht. Weer wat geleerd.

België wint goud

En eindelijk is het dan zo ver. De Belgen hebben in de twee laatste dagen van de Olympische Spelen in Peking, hun aantal medailles met x-honderd procent verhoogd. Want hoeveel procent is 2 van 0? Ze hadden nog niets. Dagelijks moesten zij op hun teletekstpagina 403 melden dat de stand nog immer 0-0-0 was. Wel merkten ze op dezelfde pagina op dat de stand dagelijks werd bijgewerkt, dus ze hadden wel begrepen dat er nog veel en snel (dagelijks!) iets kon veranderen.
Op pagina 403 stond keurig de top 10 van landen met de meeste medailles genoteerd. Met daaronder twee aparte nominaties; België en Nederland. Tenzij Nederland ook in de top 10 stond, dan stond België in hoofdletters helemaal alleen. Waarom hadden de Belgen zo weinig topresultaten? Bart Veldkamp, onze Nederbelg, had er in Studio Sportzomer wel een verklaring voor. Er waren teveel organisaties die nauwelijks samenwerkten en ieder hun eigen voordeel probeerden te halen.
Er deden ruim 60 Belgen mee. Waaronder de latere spring-kampioen Tia Hellebaut. Tia (lekkere naam) sprong in een keer over de twee meter en 5 centimeter. Daar ging niemand meer overheen. Zij zelf deed geen poging meer want ze had kramp, hoewel iedereen dacht dat het een tactische zet was.
En was Tia blij? Was Tia helemaal over de rooie omdat zij de enige Belgische gouden medaille naar huis kon nemen? Nee, Tia was bedroefd. In de verte had ze haar rivale Blanka Vlasic zien huilen. Tia zei met een stem vol medeleven: ‘Ach, Blanka is aan het wenen’. Tia ging nog niet zo ver dat ze Blanke excuses aanbood, zoals ze bij de Europese kampioenschappen de verliezend favoriet Kasja Bergquist wel deed.
Volgens de berichten ziet de Belgische Tia meer op tegen de plotselinge roem van het unieke Belgische goud dan tegen de spanning van de Spelen. De kans dat ze daar onderuit komt is gering. Alle Belgische kranten hadden maandag gouden Tia Hellebaut op de voorpagina met teksten als ,,Onsterfelijk'', ,,Onvergetelijk'', of: ,,Koningin Tia.'' Premier Yves Leterme gaf in Het Laatste Nieuws toe: ,,Ik heb zelfs geweend, en ik ween niet snel.''

Tia reageerde lakoniek: ‘Het is gewoon plezant om hoog te springen’. Allemaal leuk en gezellig maar ondanks Bart Veldkamp, misschien is gebrek aan ambitie en professionaliteit eerder de reden voor het falen.

De tandem

Hij stond over de reling gebogen en keek in de diepte naar het schip. Het was een grote dubbele binnenvaarder zwaar beladen met kolen. Het was een mooi nieuw schip. De ‘Esperantwo’ uit Dordrecht. Een vrachtduwbak van 2500 ton. Dat kon hij wel zien. Hij staarde er naar. Het was warm en loom weer.
Achter hem stond zijn fiets. Het moest zijn fiets zijn want verder was er niemand. Nou ja, daar beneden wel, die scheepslui. Maar hier langs de sluis was hij alleen. Het was een donkerrode tandem met voorop een stoer leren zadel en achterop een zadel met een grijs wollen hoesje. Dat contrasteerde nogal. Voorop een brillantine kapsel en achterop een grijs permanentje. Nog erger waren de zwaar roze gebloemde fietstassen die de fiets definitief verdeelde in twee delen; een krachtige masculiene voorkant en een wat ingezakte, truttige achterkant. Een leeuw met een rokje aan.


Zijn vrouw was er niet. Misschien had ze er geen zin in om met dit warme weer op de fiets te stappen en naar die sluis bij Wijk bij Duurstede te trappen om weer bootjes kijken. Hij staarde naar de ‘Esperantwo’. Hij verlangde naar de tijd toen hij met zijn vrouw nog de Europese wateren bevoeren. Zij hadden een kleine binnenvaarder gehad. Het was bikkelen maar ze hadden het gered. Drie kinderen grootgebracht, met behulp van wat internaten. Die zagen ze nog maar zelden. De kinderen hadden hun eigen besognes. Hij ook. Hij had zijn vrouw met haar krulpermanent en gebloemde schorten. Ze hadden het niet breed in het tehuis. Ze hadden de auto, zijn grote trots, 130 pk, een echte Opel, weg moeten doen. En toen kwam de tandem.
Een matroos op de plecht riep naar hem: ‘Hey, weet je ook hoe laat het is?’ Hij schrok op en keek naar beneden, bozig. ‘Ja dat weet ik, maar ik ga het je niet vertellen’, mompelde hij.
Late zonnestralen streelden zijn haren. Gaven een kus op zijn schouder. Hij draaide zich om en liep naar de fiets. Uit de tas haalde hij een appel, kneep erin, overwoog een hap en gooide hem toen met kracht tegen de sluis. Toen fietste hij weg. Weg van de sluis. Weg van zijn leven.

De Italiaan

Nu ik ga ik jullie beleren over het verschijnsel Italiaan. Heb ik jullie de vorige keer al enig inzicht gegeven in zijn verkeersgedrag; nu gaan we iets verder de diepte in. De psychologie van de laars-bewoner. Dat klinkt heel aanmatigend en ik kan jullie zeggen dat is het ook.
Mijn eerste contact met Italianen en Italiaans in het bijzonder was een tekstje dat onder de ramen hing van coupés in Nederlandse treinen van zo’n 30 jaar geleden. “E pericoloso sporgesi” stond er. Het stond er ook in het Engels “Don’t spit out of the windows”, dat verklaarde veel.; een Nederlandse versie herinner ik mij niet. Italianen mochten dus niet uit de ramen van Nederlandse treinen spugen. Daar stonden ze kennelijk bekend om. Met al dan niet gerichte fluimen, in doel gemankeerd door de snelheid van de trein, Nederlandse burgers het vocht om de oren slaan. Het leek mij een vrijgevochten stelletje, die Zuid-Europeanen. Dat deze mediterrane wijndrinkers verantwoordelijk waren voor zo ontzettend veel schoons in bouwwerken, muziek, schilderkunst, religie heb ik pas later geleerd.
Ik race richting Rome. Eerst Parma, dan Lucca, Orvieto en nog zo’n paar dwarsstraten. Boven de snelweg staat dat het verboden is links te rijden als je daar niks te zoeken hebt “Solemento per il surpasso”. Ik zeg het tien keer achter mekaar “Solemento per il surpasso”,. Met kracht bijna spuwend “Solemento per il surpasso”. “Alleen als je moet passeren”.
Maar italianen willen altijd passeren. Op de weg, in de kunst, in de muziek, in de onderhandeling, in de wijsheid, in de godsdienst. Altijd passeren, altijd beter (willen) zijn.
En nu met de gebakken peren zitten. Vijftig procent van werelds cultureel erfgoed staat (of ligt of hangt of klinkt) in Italië. Vijftig procent. Mama mia. Dat is een probleem. Alleen al met al met de verkoop van de kunstschatten uit de Vaticaanse musea kan je miljoenen honger-oedeem kindertjes een briljante toekomst geven. Dat moet Benedictus XVI toch deugt doen. Maar hij verkoopt niks.
Dus zitten al die Italiaanse pubers tussen al die kunstschatten gemaakt door hun briljante voorouders en kunnen slechts hopen. Ooit ook eens iets van formaat te maken. Dat lijkt mij een zwaar en drukkend leven. Je hebt Michelangelo, en Leonardo da Vinci, en Bernini, en Boromini, en Rafael, en Titiaan, en Cesar, en Cleopatra (O nee die was van de andere partij) , en Johannes Paulus XXIII en Jopie Groen (Guiseppe Verdi) en de Borgia’s (waaronder een incestueuze en moordende paus) en de Medici’s, maar ook Versace, Armani, Gucci. Noem maar op. Met de encyclopedie erbij kom je nog veel verder. Ach Italia. Bella Italia.
Dus wat mot je als revolterende puber tegen die, niet te ontkennen, overmacht van creativiteit en vindings-drang. Je pakt je scooter en scheurt er van door. Je regelt wat, je rommelt wat, je maakt een dealtje, je schuift wat geld, koopt wat invloed, je koopt wat om, je lacht, en oefent wat druk uit, niet te erg, net door de beugel, ietsje meer, nou ja slechts 1 keer, en nog een keer, iets groter, heel groot, ook heel grote glimlach. Kortom zoals de ex-premier van je land, de groot-mogol, Silvio Berlusconi. Alles op rommelen, uiterlijk, pakken, gebitten, haren.En ook hier weer iets groter dan de rest. Inhalen en passeren. Vergelijk Berlusconi nou eens met onze eigen toprimineel Holleeder. Die reed ook scooter. Maar daar stopt de vergelijking.
Het land is corrupt, het verkeer een drama, de economie een ramp. Maar wat wil je met zo’n verleden.
Italië, prachtig land, misschien wel overweldigend land, rommel maar aan want waarschijnlijk heb jij de wijsheid in pacht.



Italiaans verkeer

Jongelui! Het eerste deel van de aanhef slaat op het ene deel van de geadresseerden, het tweede deel op het andere deel.Ik voel de dringende behoefte om jullie te onderrichten over het verkeer in Italië. Dat is er nl. niet. Dat zal jullie verbazen. Het is er natuurlijk ook wel, maar niet zoals wij dat kennen. Niet een ordentelijk zooitje weggebruikers die met de middelvinger omhoog toch redelijk de verkeersregels naleeft, zoals bij ons. Nee, hier is het puur het recht van de sterkste. The survival of the fittest, strongest, most empowered. Dat is ludiek en origineel, maar je moet er wel even met je hersens bijblijven. Niet de TomTom even bijstellen, een cd verwisselen of wat dan ook. Nee, ogen op de weg en je hersens op scherp. Want voor je het weet zit je geplet tegen de betonnen vangrail.Neem een tolstation. Op 8 a 10 verschillende banen zit een tol-heffer. Voor creditcards, voor cash, voor tele-weet-ik-veel. Als je deze obstakels hebt gepasseerd, versmalt de weg weer tot de gebruikelijke 2 a 3 banen. Vlak na het innen der heffingen en het opklappen van de rood-witte hefbomen, schieten de Italianen als was het een formule 1 gebeuren, uit de startblokken. BMWs, Fiatten, SUVven, sufferds, vrachtauto's, als knalt er als een haas vandoor. Ik zit nog een beetje gezellig suffend en tuffend (jullie kennen me) mijn credit card op te bergen, maar de Italianen liggen links en rechts al vol op ramkoers om de 2 a 3 wegbanen als eerste te bereiken. Ik schrik me elke keer weer rot. Ik heb een redelijk reactie vermogen en beschik over echte SAAB remmen, maar dat blijkt nauwelijks voldoende.Race-fanaat, account-manager, flisende modefotograaf, maar ook opa en oma in hun opgevoerde Opel serie weet-ik-veel-en-waarvoor, schieten van alle kanten op mij af. Pas als ik besluit dat niet op me te laten zitten en meespurt, neemt de rust weer toe.Patser-italianen rijden verbluffend vaak in Duitse kracht-mobielen. Telkens zie in je linker spiegel die felle lichten verschijnen (mijn auto heeft ze ook en ik weet dat ze een vermogen kosten) en met een km of 180 in de verte verdwijnen. Porsche Cayenne, Audi A8 tm 10 (?), Mercedes C en dan het hele alfabet, de dikste VW enz. Ik vind alleen die hartrijdende Mercedes opvallend. In Nederland rijdt deze meest below average snelheid en wordt bestuurd door een afgedankte marketeer. Hier niet. Voluit met de SUV.
Volgende keer een meer prozaisch verhaaltje over de schoonheid van Toscane en over alles wat leeft en bloeit en ons altijd weer boeit, maar daar kan je ook boekjes van kopen. Nu ga ik Lucca in.