maandag 13 oktober 2008

Petrus

‘Zeg, ik duik even de kelder in. Eens kijken of we nog iets moois onder de kurk hebben.’ En pa stommelt de trap af naar de bedompte ruimte onder zijn twee-onder-één-kapper. Op weg naar vergetelheid. Wijn dus. Menige gastheer tracht zijn gasten te imponeren met zijn kennis van wijn. ‘Ha, ik heb me hier een hele mooie gevonden. Een Saint Julien van het Château Talbot, 2003. Werkelijk een keurig wijntje. Meegenomen uit Frankrijk toen we daar laatst waren voor een rondje proeven. Je kent dat wel. Even een rondje langs de châteaus. Hier een kistje en daar wel twee en die nemen we dan mee. Deels voor opleg en deel voor directe dronk.’ ‘Zo, nou, die zal er wel ingaan zeg. Proost.’

En dan begint het grote spel van ‘plaisir de l’oeil’, ‘plaisir du nez’ en plaisir du goût’. De lol van het kijken, ruiken en proeven dus. Voor menigeen is echter het geen lol maar een zeer serieuze zaak met een volstrekt eigen vakjargon. Ze hebben het over ‘troebel’, ‘uitgesproken jurk’ (van het franse robe franche), ‘bouquet’, ‘fruitig’, ‘verfijning’(finesse), ‘rond’, ‘vol’ (gras), ‘soepel’, ‘lang’, ‘taninehoudend’ (tanique), ‘evenwichtig’ (equilibré) enz. Zo werd mij recent een Sauvignon Touraine omschreven: ‘Ruikt naar stuivend aroma van acaciahoning en pompelmoes’. Pardon? Stuivend aroma? Wat is in vredesnaam ‘stuivend aroma’? Mijn woordenboek zegt over ‘stuiven’: ‘door de luchtstroom gedreven, met grote snelheid voortbewegen’. Dus als ik het goed begrijp hoef ik het maar even rond te laten dansen in mijn glas, het zgn. walsen, en dan stuift mij die pompelmoes tegemoet. Maar hoe ruikt een pompelmoes? Ik heb de wijn gewalst en hem geroken en rook helemaal niks. Totdat mijn neus ongeveer het oppervlakte van de wijn raakte. Ik rook nog steeds niks. Misschien was ik verkouden of de wijn te koud. Dus over naar het proeven. ‘Heerlijk zacht fruit met een tintelend frisse smaak van kruisbessen en witte bloemetjes.’ Witte bloemetjes? Madeliefjes? Margrietjes? Kamille? In mijn wijn? Hadden ze er niet iets chiquers in kunnen stoppen? De smaak van truffel of kaviaar, maar een madeliefje?

In ons plaatselijk sufferdje staat een artikeltje over een bijzonder kistje wijn; zes flessen voor 21.000 euro. ‘Een paar vragen aan inkoper Tjeerd Dijkstra. Vraag 1: ’Wat is dat voor een wijntje?’ ‘Een Château Petrus uit 2000. Een 100 procent merlot uit de Pomerol. Mensen kennen merlot als zoetig alledaags wijntje, maar deze is van een heel ander kaliber. Grootser, met meer diepgang en meer elementen.’ We gaan even snel naar Vraag 4: ‘Heeft u zelf weleens een Château Petrus gedronken?’ Antwoord: ‘Lang geleden toen ik sommelier was, bestelde een klant een fles. Bij het afruimen bleek er nog een bodempje in te zitten. Dat heb ik toen gedronken’. Ik zie het voor me. Eerst ruiken, dan walsen en ruiken en dan het bodempje proeven. En dan tot de conclusie komen dat deze wijn meer diepgang heeft. ‘Ik proefde het er niet aan af’, besluit hij. Nee natuurlijk niet, je proefde het speeksel van de vorige eigenaar.

Al dat verheven gedoe rond een fles wijn werkt bij mij vaak jeukend op mijn lachspieren. Natuurlijk, een hele grote seigneur begroet je in het glas anders dan een frisse landwijn. Je mag wat mij betreft voor een glas oude Château Petrus (naar het schijnt de fraaiste, en duurste, bordeaux; een kathedraal van een wijn) best figuurlijk op de knieën gaan. En gezien het aantal keren dat je de kans krijgt zo’n glas de drinken krijg je daar geen zere knieën van.

Waar ik in proefnotities nou nooit iets over tegenkom en wat toch ook een begeerlijke eigenschap van wijn is, is de aanwezigheid van alcohol. Maar een proever proeft en spuugt uit en een wijndrinker drinkt en houdt binnen. Het effect van het tweede glas is al heel anders dan dat van de eerste slok. Soms denk ik bij het tweede glas; ‘Hé, dit smaakt naar witte bloemetjes.’ En bij het derde: ‘Ik ruik pompelmoes vermengt met acaciahoning.’ Jacob Cats zei het al: ‘Als de wijn gaet in de man, leyt de wijsheyt in de kan.’Maar soms worden de innemers wel geestiger. Tijdens recepties placht Winston Churchill met zijn steeds opnieuw gevulde glas whisky in de hand steeds luidruchtiger aanwezig te zijn. Bij één van die gelegenheden voegde het Labour-parlementslid Bessie Braddock hem toe: ‘Winston, je bent dronken, afschuwelijk dronken. Winston antwoordde schaamteloos: ‘En u, mevrouw, bent lelijk, maar ik ben morgenochtend weer nuchter.

Geen opmerkingen: