woensdag 24 december 2008

Passagier mist vliegtuig

Het was 19 december 2008. Ik werd om 3.30 uur wakker, reed om 4.15 uur weg en was om 5.15 uur op Schiphol. Het vliegtuig gingom 6.35 uur. Dus tijd zat. Ik sliep nog even door. Met één blik op het mededelingenscherm zag ik dat ik bij balie 18 moest zijn. Dat was veel verder dan waar ik uitgestapt was. Ik sleepte mijn koffers drie vertrekhallen door. Ik bevroeg dromerig een informatiejuffrouw, maar die wist van geen TAP-vlucht. Ik keek nogmaals op het scherm en zag dat ik in de goede rij stond. Zag ik het goed of sliep ik nog? Toen ik aan de beurt was wist ook de KLM-juffrouw van niets. Geen vluchten naar Faro hier. Volgens haar was het TAP-incheckpunt in vertrekhal 1 en we waren nu in vertrekhal 3.

Het was inmiddels 5.45 uur en een normaal mens zou weten dat de tijd nu toch echt begon te dringen. Maar ik niet, deze vroege ochtend. Ik liep naar vertrekhal 1 en ging weer in de rij staan, nu voor de TAP-balie met het bordje Faro. Een dromerig kwartiertje verder was ik aan de beurt. De dame accepteerde mijn paspoort, keek in haar monitor en greep naar de telefoon. Toen ze klaar was met het overleg keek ze me vriendelijk aan en zei: ‘De gate is dicht. U kunt niet meer aan boord. U kunt zich beter even melden bij de TAP-informatie-desk rechts om de hoek.’


De juffrouw van het informatiepunt ging meteen in de verdediging toen ik opmerkte dat de gate wel erg vroeg was dichtgegaan. ‘Een halfuur voor take off is volsterkt normaal’, sputterde ze, me boos aankijkend. Kennelijk nachtdienst gehad dus al die boze klanten zat. Ik sliep gezellig verder en vroeg wanneer de volgende vlucht vertrok. ‘12.35’, zei ze. Ze begon driftig op haar toetsenbord te rammen. Overboeken naar de volgende vlucht naar Lissabon kostte me €108,-, lichtte ze me voor. Want ook de vlucht van Lissabon naar Faro moest overgeboekt worden. ‘Okay’, riep ik. Ik had niet veel keus. Zij begon weer hevig te typen. ‘Schrijft u een romannetje?’ Ze ontdooide een beetje en produceerde een smal lachje. ‘Alles moet opnieuw ingegeven worden. Dat duurt even’.

Om 12.00 kwam ik het vliegtuig binnen dat al gevuld was met drukke Portugezen en een enkele Nederlander. Ik kreeg een stoel op de allerlaatste rij, maar wel aan het gangpad zoals ik gevraagd had. Naast me zat een zeer dikke Nederlander, die ze kennelijk in deze stoel gelepeld hadden. Hij zat volkomen vast. Recht overeind en doodzenuwachtig. Het was zijn eerste vliegreis. Samen met zijn forse dochter was hij ook onderweg naar Farao, zoals Cleopatra zei, waar buren op hen zouden wachten. Zij hadden daar een appartement gehuurd; de buren verbleven in een camper. De vlucht was minimaal een half uur vertraagd. En het vliegtuig nam ons allemaal mee.

Ik vroeg aan de stewardess of we op tijd zouden zijn voor onze volgende vlucht naar Faro om 15.30 uur. Dat we anders vast zouden zitten in Lissabon. Nou, dat wist ze natuurlijk niet. Maar ze hoopte van wel. Daar schoten we lekker mee op. Volgens mij leren ze deze antwoorden van hun crisis-manager. Gewoon met je klant meelullen, maar geen zekerheid bieden. Want dan kunnen ze claimen. En dat moet je natuurlijk voorkomen. Wat later kwam ik er achter dat in Portugal GMT-tijd gold. Dat gaf ons een uurtje respijt.
Driekwartier voor de beoogde vertrektijd van de vlucht naar Faro werd de landing ingezet. Mijn buurvrouw aan de andere kant van het gangpad stelde voor dat we moesten vragen of we voorin het vliegtuig mochten zitten zodat we als eerste eruit konden. Er waren nog plaatsen in de businessklasse. Ik vroeg het aan de cabinedame, die op haar beurt telefonisch het hoger personeel benaderde. Het antwoord luidde dat de landing was ingezet en dat we op onze stoelen moesten blijven zitten. Vijftien minuten voor het beoogde vertrek naar Faro rolden we het vliegtuig uit Amsterdam uit. Eerst moesten we met een bus naar een andere terminal en toen we daar de hal kwamen binnenrennen, bleken we nog op tijd. Het was precies 15.30 uur maar de passagiers voor Faro waren nog niet opgehaald.

Twee uur later waren we nog niet opgehaald. We zaten met z’n drieën op de vloer met onze rug tegen de muur. Mijn buurman was de apathische rust zelve. Een uiterst vriendelijke man die alleen puffend zijn onvrede uitte. Ppppppfffffffffff. Met zweet op zijn voorhoofd. Hij wachtte telkens vol spanning als ik terugkwam met informatie, want hijzelf sprak geen woord over de grens. Die informatie was miniem. Ja, er was geen vliegtuig en ze wisten ook niet wanneer het kwam. Het vliegtuig was dus kennelijk zoek, concludeerden wij. Dat leek ons heel wel mogelijk in Portugal. ‘Passagier mist vliegtuig’ van vanmorgen kreeg hier een heel andere lading.

Al snel ontstond er een soort saamhorigheidsgevoel bij sommige passagiers. De dikke en zijn dochter bleven angstvallig dicht bij mij in de buurt. Verder waren daar twee Nederlandse homo’s, waarvan de ene zo rood aanliep dat we het ergste vreesden en zijn zwaar wit-gepolijste gebit nog prominenter uit zijn gezicht kwam, een Portugese man van mijn leeftijd met een rode houtje-touwtje-jas met capuchon aan, een oorbel in en een opgeruimd karakter en een Duitse vrouw van een jaar of veertig met vlassig donker haar en in bezit van een pronte dochter. Wij gingen om beurt op zoek naar informatie.

De gemoederen bij een paar Portugezen liepen hoog op. Een keurige zakenman, in zwart krijtjesstreep pak en diplomatenkoffer, was zo razend dat hij hardop voor zich uit zat te schelden en te blazen. Plotseling verscheen de politie ten tonele om het mokkende volk tot achter de afzetting te irigeren.

Toen kwam er nieuws. Er was een staking van cabinepersoneel. Daarom kwam het vliegtuig niet. Alleen onze vlucht. Men deelde foldertjes uit met de wervende tekst ‘YOUR RIGHTS AND WHERE TO COMPLAIN’. Hadden ze kennelijk nog liggen van een eerder oponthoud.. Over cancellation van de vlucht wordt in de flyer opgemerkt: ‘Financial compensation is due unless ……… the airline can prove that the cancellation was caused by extraordinary circumstances.’ Handig. Een staking leek mij extraordinary. Maar dat was van later zorg.


‘Er komen bussen’, zong het rond, ‘die ons vanavond nog naar Faro brengen.’ Waar en wanneer wist niemand. Eén passagier gaf het op. Hij pakte samen met zijn zoon de trein en ging rechtstreeks naar Faro. Het idee trok mij ook maar ik had de dikke en zijn dochter op sleeptouw, bovendien had ik mijn bagage nog niet terug.


Een half uur later draaide de belt en spuwde mijn koffer uit. We verdeelden de taken. Ik ging op zoek naar informatie en mijn twee landgenoten bewaakten de bagage. Ik liep naar tourist-information en die verwees door naar de douane (we stonden inmiddels buiten de douane en mochten niet terug naar de groep), en die naar de politie, en dan naar de TAP-desk en de Groundforce. Dat bleek de juiste club te zijn. Ik rende terug naar de hal om mijn partners te halen. Ik zag hem nog net met mijn bagagekar naar buiten lopen. Ik dacht: ‘Dit overkomt mij niet.’ Hij keek om, zag mij en zwaaide. ‘Kom op. De bussen zijn er’. Drie-en-eenhalf uur later waren we op Faro-airport. Ik besloot mijn huurauto op te halen maar niet op zoek te gaan naar het appartementencomplex een uur verderop. Ik boekte een kamer in het Ibis-hotel.



Compositie in turkoois met tuinslang en heel kleine klomp


Strand bij Carvoeiro


Krijtrotsen bij Rocha Brava

Idem

Uitzicht vanaf Moors kasteel in Silves

maandag 15 december 2008

Hoogtevrees in de Sagrada

De dakgoot van mijn huis hangt op, wat zal het zijn, een metertje of 8 à 9. De kamers zijn 3,40 m hoog en dan twee etages en nog wat er tussen, dus laten we zeggen 9 meter hoog. Daarboven komt de zolderetage. Ik klom vroeger graag in de herfst de goot in om larixnaalden en bladeren van ander boomgespuis te verwijderen om verstopping van de afvoer te voorkomen.

Soms ging ik hogerop en wierp een borstel met een zwaar gewicht in de schoorsteen van de openhaard in de hoop dat het stookkanaal daar schoner van zou worden. Eén keer is de borstel in het kanaal blijven steken en niet beneden gearriveerd. De borstel zat vast. Ik had dat scenario al keer van een collega gehoord en die had voor veel geld het rookkanaal moeten laten openbreken teneinde zijn borstel en het vrije verkeer van rook en trek weer terug te krijgen. Gelukkig kon ik met enige moeite, via de openhaard, graaiend in de schoorsteen de borstel te pakken krijgen en lostrekken. Er volgde een lawine aan roetproducten.

Hoog dakverkeer was mij dus niet ongewoon. En nooit last van hoogtevrees. Totdat ik wat ouder werd. Totdat de bravoure wat ging rusten. Ik was bij de Sagrada Familia in Barcelona. De meer dan fantastische kathedraal van Gaudi die al decennia in aanbouw is, omdat hij alleen met geld van particulieren gebouwd mag worden. Dus geen overheidssubsidies en bedrijfssponsoring. Ik bezocht dit bouwwerk en zag dat de mogelijkheid bestond ook de torens met liften te bestijgen en dan via een trap weer af te dalen. Dus eerst snel hoog en dan langzaam omlaag. Via een ronddraaiende trap naar beneden. In een kathedraal in aanbouw. Sagrada familia. De heilige familie. Ik ging naar boven. Niks aan de hand. Stapels mensen deden het. En boven was het uitzicht grandioos.

En dan ga je met de trap naar beneden. En dan zie je dat de glazen nog niet in de ramen zijn gezet. Dat je dus een open verbinding hebt met het 40 meter lager gelegen Barcelona. En dat ook aan de binnenkant geen beveiligend ijzerwerk is aangebracht. Je kijkt recht in de afgrond van de toren.

Dat voelt niet echt echt lekker. Je loopt van een trap af en bij een verkeerde stap verdwijn je een tiental meters de diepte in. Om net zo als Gaudi te sterven aan de voet van de kathedraal. (Gaudi werd vlak voor de kerk overreden door een tram en stierf later in een plaatselijk ziekenhuis).

Ik verstijf. Durf geen stap meer te verzetten. Ik realiseer me dat ik verder moet omdat ik anders op deze plaats zal mummificeren of erger, door achtervolgers zal worden gepasseerd. Dus stapje voor stapje ga ik verder. Trillend. Kijkend naar de volgende tree. En niet naar buiten.
Zwetend bereik ik de begane grond. Doel bereikt. Ik ga zitten op een richel aan de overkant van de uitgang en wacht hoe andere bezoekers deze dodegang overleven. Na enige tijd gaat de deur open en komen twee pubermeiden kletsend en alleen in beslag genomen door eigen zaken de deur uit. Giebelend lopen ze weg. Ik voel me oud.

Ik voelde me niet oud toen we aanvlogen op Los Angeles. Ik zat lekker te lezen, we zouden gauw landen en mijn buurvrouw zorgde voor de nodige chocolade-versnaperingen. Ik was op weg naar Hollywood om eens te kijken waar al die crooners en stars hun bedoeninkje hadden. De gezagvoerder van ons vervoermiddel deelde mee dat we wat te vroeg waren en dus in een parkeerbaan werden gezet. Prima. Ken ik. Geen punt. Een beetje rondjes draaien en dan dalen. Over een paar minuten zouden we landen.

Ik keek door het raam naar beneden en zag Los Angeles volstrekt stil onder ons liggen. De motoren deden van mwung, mwung, mwung, langzaam dus, en niet van jangjangjangjang, laat staan juuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuut. We hingen stil boven de stad. Mwung …… mwung ……. mwung. Mijn buurvrouw zegt: ‘There’s something wrong with the engines’. De engelen van Los Angelos hadden kennelijk geen dienst. Ik knijp mijn knokkels wit op de leuningen. Minuten lang hangt die grote kist boven de files van L.A.. het is kennelijk spitsuur daarbeneden. Mwung …… mwung ……. mwung. Het is doodstil. De lichten zijn grotendeels uit. Iedereen is in verwachting van de finale mededeling: ‘Ladies and gentlemen. We have a problem’.

En dan plots komt de vaart er weer in, gaat het mwung weer over in juuuuuuuuuuuuuuuu-uuuuuuuuut en landen we probleemloos.

zondag 7 december 2008

Vertraging in São Paulo

Ik was ruim op tijd voor mijn vlucht van São Paulo naar Cascavel, anderhalf uur verderop naar het oosten. Daar wachtte een bus die mij verder zou transporteren naar Foz do Iguaçu, bekend van het natuurpark en de waterkrachtcentrale (Usina Hidroelétrica de Itaipu), maar vooral van de 275 watervallen. Ik liep naar de balie klaar om me in te checken. Voor de balie stonden clubjes mensen opgewonden te kletsen. Ik probeerde op te vangen wat de oorzaak was van de commotie, maar mijn Braziliaans-Portugees was niet toereikend om licht te vinden in de duisternis. Ik kan daar aan toevoegen dat mijn kennis van die taal zelfs niet toereikend was om ook maar iets te begrijpen al werd het duidelijk articulerend in mijn oor getetterd.

Ik wendde mij tot een grond-versie van de cabine-serveerster en vroeg in het Engels wat er aan de hand was. De vlucht naar Cascavel had een vertraging tot 11 uur die avond, zei ze. Zij gaf mij een bon voor een kopje koffie, lachte me vriendelijk toe en verwachtte dat daarmee de 5 uren vertraging mooi waren opgelost. Maar.. maar.. maar, begon ik. Zij kneep in mijn arm. Alles komt goed, stelde ze me gerust. O ja, zei ik. En mijn bus dan? Blijft die wachten tot ik vijf uur te laat, ver na middernacht aankomt? Nou dat leek haar niet waarschijnlijk. Ik moest maar even naar de klanten service gaan en het probleem daar voorleggen.

Voor de klantenservice stond al een rij. Achter het loket zat een jongetje dat kort geleden van de lagere school was weggeplukt, een te grote bril op zijn neus was gemonteerd, in een pak van de luchtvaartmaatschappij gehesen en op de kruk gezet. Dit was onze alwetende antwoordmachine. Ik pakte mijn spullen en verdween voor even in een luchthavencafé.

Een paar uur later was de wacht achter het loket gewisseld en de rij verdwenen. Ik ging eens informeren over de mogelijkheden. Ik vroeg de dame of er een hotel was op het vliegveld van mijn bestemming. Ze knikte bevestigend, noteerde alles wat ik kwijt wou en zou het een en ander doorbellen naar het kantoor in Cascavel en ik moest daar maar contact opnemen. Om 11 uur ging het vliegtuig.

Aangekomen in Cascavel haalde ik mijn koffer van de band en rende 6 uur te laat de aankomsthal in. Het was er donker. Alle luikjes waren hermetisch gesloten. Een schoonmaker toerde rond op zijn veeg-, zuig- en poetsapparaat en produceerde daarbij telkens een piepje. Piep…. piep…. piep. Verder was het stil. En er was geen hotel. En er stond geen bus. Buiten stonden wel wat taxichauffeurs. Gelukkig, waar een taxichauffeur is, is een weg. Ik liep naar buiten en zij zagen meteen een klant. Met zijn vieren kwamen ze naar me toe. Ze vroegen waar ik heen moest. Ik vertelde dat. Eén van hen riep een prijs. Dat hadden ze kennelijk afgesproken. Dat ze niet tegen elkaar op zouden bieden. Ik vond het bedrag redelijk en dacht nog steeds dat de vliegmaatschappij dat wel zou compenseren. Ik stapte in en daar gingen we, door het donkere, ongetwijfeld prachtige landschap van de Mato do Sul. Ik knipte een lichtje aan en trok mijn boek tevoorschijn.

Tegen vier uur in de ochtend reden we Foz do Iguaçu binnen. Mijn chauffeur kende de weg en al gauw reed hij de straat van het hotel in. En dat was een verrassing. Het was hier feest. De hele straat stond vol met dansende, zingende en drinkende Brazilianen. Het was een uitbundig en feestelijk feest. Vol lol, zo te zien, en uitgelaten pret. Ik voelde me brak en wilde naar bed. Ik rekende af, nam de bagage over van de chauffeur en liep de hal van het hotel binnen. Het was er donker. Op een lampje bij de receptie na, scheen er geen licht.

Achter de desk zat een meisje. ‘Alo,’ zei ze. Ik alo-de-terug en daarmee was mijn Portugees op. Haar Engels was dat al eerder, zodat we nu met de mond vol tanden tegenover elkaar stonden. Maar zij had een oplossing. Ze pakte een mobiele telefoon, drukt een nummer, riep er na enige tijd wat Portugees in en gaf hem aan mij. ‘Hallo?’ klonk het van de andere kant. ‘Hallo?’ zei ik, ‘Who are you?’. Het was de vlot Engels sprekende manager van het hotel, die waarschijnlijk voor de deur stond te dansen. Ik vertelde hem wie ik ben en wat ik kwam doen. Slapen. Nou, er was op mij gerekend, maar een beetje eerder. Ik vertelde hem van de vertraging. Okay, niks aan de hand, geef de mobiel maar weer aan de juffrouw. Zij kreeg wat Portugese instructies, denk ik, want ze gaf me nu vlot een sleutel en wees me welke kant ik op moet. Ik had een kamer onder het dak, dook mijn bed in en viel als een blok in slaap.