woensdag 30 december 2009

Doe maar een rondje

Het was vlak voor middernacht toen wij landden op het vliegveld van Rarotonga, het hoofdeiland van de Cook Islands in de South Pacific. Het was een heel klein vliegveldje met een buitenproportionele landingsbaan. Een baan met ballen. Deze enorme baan was niet het gevolg van de fallistische grootheidswaanzin van de toenmalige machthebber, maar het resultaat van oorlogswerkzaamheden van de Amerikanen. Die hadden die baan daar aangelegd als hub voor hun militaire vliegtuigen op weg naar de vijand in het westen in WOII.



Wij zagen er niet veel van, want het was donker. En als het donker is in Rarotonga dan is het heel donker. Wij schuifelden via een ijzeren trapje het vliegtuig uit en de baan op. In een lange slaperige rij haalden we de bagage op en droomden we ons door de douane. Buiten stond een courtesy bus. Hij wachtte op ons en wij gingen allemaal mee; sommigen zittend op hun bagage, maar de meesten hangend aan lussen in een aardedonkere bus. Omdat wij niets zagen konden we ons ook niet voorbereiden op de dingen die komen gingen; zoals wanneer de bus een bocht indook. De bus ging dan plots naar links en wij centrifugaalden met z’n allen naar rechts. Opeens.

Buiten was niets te zien. Het enige licht dat er was, was afkomstig van de koplampen van onze bus. En dat is een eigenaardige gewaarwording. Je bent op een plaats die je niet kent, in het pikdonker, tussen mensen die je ook niet kent maar die je wel bij elke bocht hevig tegen je aangedrukt voelt, onderweg naar weet-ik-waar en met je bagage waar-dan-ook. Dat werkt, laten we zeggen, bevreemdend.

En zo schommelden we zo’n 15 kilometer over de ongeziene atol. Bij tijd en wijle stopte de bus, klapte de deur open en riep de chauffeur de naam van een hotel. En soms stapte er dan ook iemand uit. ‘Excuse me’, mepte iemand een koffer tegen je been. En dan hobbelde we weer verder. Totdat de chauffeur: ‘Edgewaaaattteeer’, riep. Mijn bedoeninkje. Hier moest ik eruit. Het Edgewater Resort. Ik kreeg een kamer op de derde verdieping, belde naar huis, waar het nu dag was, om te melden dat ik was gearriveerd en trok me terug in de sponde.


De volgende dag ging ik op pad om mijn 4 Wheel op te halen die vanuit Nederland was gereserveerd. Hij stond, spic en span, reeds op mij te wachten. Maar er was één probleem. Mijn rijbewijs was hier niet geldig. Ik bedankte mijn reisbureau voor reserveren van de auto en het leveren van alle adequate informatie. Dat werd dus lopen en bussen.

‘Neeneenee’, bezweerde mij de verhuurder van het vehikel, ‘Geen enkel probleem. U haalt hier gewoon een nieuw rijbewijs, uitgegeven door de Cookse autoriteiten’.

Nou dat leek mij sterk. Ik had maar een paar dagen de tijd en dat leek mij onvoldoende, indachtig de vorstelijke periode die ik in Nederland nodig had gehad om daar mijn acte van rijvaardigheid te halen.

‘Meneer gaat u nou even naar het politiebureau, hier een eindje verderop. U zegt waar u voor komt, geeft ze uw eigen rijbewijs, doet een proef en dan komt het allemaal goed’.

Ik mocht de auto dat stukje wel rijden. Druk was het niet op de weg. Hij zou ze bellen dat ik er aan kwam.

Toen ik de parkeerplaats kwam oprijden kwam de dienstdoende constable mij reeds tegemoet.

‘Good morning, Sir. You want a driving licence?’

‘Indeed, sir, officer, sir’.

‘Well than, mister………..?’, hij keek op mijn rijbewijs, ‘… Sentuh’.

‘Santer’, hielp ik hem.

‘That’s what I said’, zei ie. ‘Now if you please go back in the car, drive a circle and come to the office.’

Ik keek hem ongelovig aan.

‘And that’s it?’

Maar hij was al weer naar binnen.

Ik reed een rondje, parkeerde de auto en ging naar binnen. Hij had het rijbewijs al gereed.

GOVERNMENT OF THE COOK ISLANDS

Transport Act 1966

LICENCE TO DRIVE A MOTOR VEHICLE

The Bearer: ……………………………………….Mr. Santer……………………………….

Name

………………………………………………….POB 23/12/19--……………………….. Edge….

Address

………………………………………………………………VISITOR……………………………………

Occupation

Is hereby Licenced to the above Ordinance to drive the following Classes of Motor Vehicles,

namely:

……………………………………………………Motor……Car……………………………………

Dan volgde de plaats, datum en de handtekening van de Registrar of Motor Vehicles.

Het viel mij op dat het postbusnummer van het Edgewater resort precies gelijk was aan mijn geboortedatum. Het leek mij niet slim daar een opmerking over te maken. Ik betaalde $2,50 en we namen heel tevreden over deze officiële transactie, uitvoerig afscheid. Ik kon op weg om via de enige rondweg van zo'n 30 km het eiland te verkennen.

donderdag 17 december 2009

Jongens met hoge hakken

We komen laat in de avond in Sevilla aan. Het is al 11 uur, dus we sterven van de honger. Gelukkig zijn Spanjaarden gewend laat te dineren na al dat tapassen, en dus gaan we op zoek naar een restaurant dat nog serveert. In een eetlokaal op het plein bij de kathedraal Sante Maria de la Sede vinden we plaatsje aan het raam. De meeste bezoekers zijn aan het natafelen. Sommige zitten aan Torta de Almendras, een traditionele amandeltaart, legt een liefhebber aan de belendende tafel uit. Maar de meeste zitten aan de Alfonso, een plaatselijke likeur.



We bestellen bij een wat slonzige ober met de sterk beduimelde kaart enige gerechten waarvan de namen ons heel in de verte bekend voorkomen. Binnen 15 minuten staat alles op tafel. Leve de vooruitgang. Ook hier heeft de magnetron zijn intrede gedaan. Het eten is plaatselijk heet en plaatselijk steenkoud. Maar we hebben honger en kunnen dus niet kieskeurig zijn. Het smaakt niet echt. Het vlees lijkt die avond al enkele keren opgediend te zijn en is door die uitputtingsslag zichtbaar vermoeid. Ook het groentegarnituur hangt suffig over de rand van het bord wachtend op betere tijden. We rekenen af en gaan naar het hotel.

De volgende dag struinen we alle toeristische attracties af die deze stad rijk is. Sevilla is het toneel geweest van vele veroveraars en culturen. De Grieken komen, de Grieken gaan, en de Romeinen komen, de Romeinen gaan, de Vandalen, de Moren, de Vikingen, de Joden, de Spanjaarden; ze komen en gaan. Behalve die laatste. Die zitten er nog.

We gaan eerst maar eens naar Barrio de Santa Cruz, de Joodse wijk – het Juderia – dat getuige van de eeuwenlange Joodse aanwezigheid in de stad. Zij woonden daar al sinds Romeinse tijden en mogelijk zelfs eerder. De Iberische Joden, de Sefardim (Sefarad is Hebreeuws voor Spanje) genoten aanvankelijk een zekere vrijheid, maar werden na verloop van tijd uit het maatschappelijke leven verdreven. In 1492, Columbus verovert Amerika, werden de overgebleven Joden van Sevilla gedwongen Spanje te verlaten.

De wijk sluit naadloos aan op de tuinen van het Alcázar Real de Sevilla of Reales Alcázares de Sevilla oftewel het Koninklijk Paleis. Dit paleiscomplex is waarschijnlijk het oudste koninklijk paleis van Europa dat nog steeds als zodanig in gebruik is. Aanvankelijk werd het gebouwd door Moorse bouwmeesters, maar later werden daar elementen in gotische en renaissance-stijl aan toegevoegd. Het is daardoor een beetje een ratjetoe, maar de pracht van de Moorse stijl overheerst.


De kathedraal van Sevilla is één van de grootste ter wereld en staat op de plaats waar de almohaden (een Berberse moslimdynastie) in de twaalfde eeuw een moskee hadden gebouwd. Na de val van Sevilla in 1248 namen Christenen het bouwwerk in bezit en hielden er hun eredienst. De minaret – de Giralda – deed dienst als kerktoren, ook nadat op de plaats van de moskee een gigantische kathedraal was verrezen. In deze kathedraal ligt een praalgraf van Columbus, maar of hij er zelf in ligt wordt sterk betwijfeld. Zijn zoon ligt een eindje verder ook dood te wezen. Dat weet men zeker.

Pfffffffffffffffffffffffff. We zijgen op een bankje neer. De kuiten zijn hard en de voeten het lopen moe, de rug kromgetrokken door de rugzak en de ogen staan op steeltjes. Tje, Sevilla, had je het de afgelopen eeuwen niet wat rustiger aan kunnen doen? Wat een hoeveelheid geschiedenis. Wat een strijd tussen culturen en geloven. Wat een gebouwen en kathedralen en watertuinen en bloeiende mandarijnenbomen en koetsjes en toeterende auto’s. Tijd voor de tapas en dan ……………. tijd voor FLAMENCO!!!!!!! Olé!!! Want als er een stad stijf staat van de flamenco dan is het wel Sevilla. Olé!!!!

We gaan naar Flamencobar Lo Nuestro aan de Calle Betis. Het is een vrij kaal rechthoekig lokaal met een catwalk-achtig verhoging. Aan de tafeltjes rond dit podium zitten een paar bezoekers. Zo te zien meest buitenlanders. Keurig opgedoft en schoon geborsteld. Het permanentje wedijvert met de brillantine. Aan het eind van het podium zitten groepjes jongens, mannen kun je het niet noemen, en vrouwen, meisjes kun je het niet noemen. Het zijn flamenco-dansers. De jongens zitten schuchter bij elkaar, in hun veel te strakke broeken en schoenen met hoge hakken en bespreken jongenszaken. De vrouwen, in hun elegante, zwierige kleding vol ruches en plooien, kijken roddelend rond en lachen hard als één van hen een dubieuze opmerking maakt. Aan de andere kant van het podium, maar ook aan het eind zitten wat muzikanten en een zanger, denk ik, want dat kan je nu nog niet zien, zolang hij zijn mond houdt.

Opeens geeft iemand een keiharde roffel op zijn gitaar ‘Dsjengedsjeng’. Een jongen en vrouw maken zich los van de groep lopen het trapje op naar het podium. Nog een ‘Dsjengedsjeng’ en dan gebeurt het. Dan voltrekt zich een transformatie, de totale metamorfose. De schouders gaan naar achteren, de rug wordt gerecht, de kin de lucht in gestoken en de armen naar elkaar gestrekt. Weg is de schuchterheid, weg de kokette blik, de onzekerheid. Wat rest is trots, hooghartigheid, superioriteit en elegantie. En met korte afgemeten passen en lange zwierende draaien dansen ze de flamenco.


Ze dansen niet als Weense walsers, elkaar aanvullend en als een eenheid. De flameco-dansers dansen tegen elkaar, met elkaar maar in gevecht. Duizenden jaren geschiedenis worden hier weggezongen en –gedanst. Invloeden van de Moren (klanken), zigeuners en Iberische, Fenicische, Keltische, Gotische, Byzantijnse en katholieke culturen. Soms sierlijk, soms hoekig, soms zwevend, soms staccato. Maar altijd ver verheven boven de toupetjes en kuitbroeken aan de tafeltjes beneden hen. 



maandag 7 december 2009

Farrah en Liza

Ik heb vanavond in het restaurant van het hotel gegeten. Ze hadden maar één menu en naar later bleek ook maar één gast, ik dus. Het is off-season. Ik kreeg 6 gangen voorgeschoteld. Eerst brood met boter zalmpaté en smeerkaas, daarna een kaasschotel die volgens mij voor het eind van de maaltijd bedoeld was, vervolgens tomatensoep opgeluisterd met basilicum, een conelloni-schotel, een codfish, kabeljauw dus, met entourage en drie plakken kalkoen met garnituur. Espresso toe. Ik heb er, ondanks de matige ambiance, met smaak van gegeten en zit dus afgeladen vol.


Ik had even geen puf meer en viel voor dood op bed. Ik doe de tv aan en kijk naar het eerste de beste Portugese programma. Het gaat over de kapper, denk ik, want ik zie een kapsalon en wat overjarige dames in kapstoelen. De eigenaar dribbelt nerveus rond. Hij is van ‘Topline’ begrijp ik uit de beelden; het begeleidende Portugese commentaar ontgaat me totaal. Ik probeer zelf te bedenken wat ze allemaal te zeggen hebben om dit programma minstens een half uur te laten voortkabbelen.

Let op daar gaan we. Er schuift een foto van Farrah Fawcett door het beeld. Heette dat mens echt Farrah, of was haar vader bij de aangifte bezopen en kreeg hij ‘Sarah’ slechts brouwend uit zijn mond. De beambte zei nog: ‘Farrah zei u?’ ‘Ja, Fsarah sliste hij’.



In de kappersstoel zit een dik hoofd met een blond kapsel dat tegen de barbier zegt:

‘Ik wil een kapsel als Farrah Fawcett’.

Kapper: ‘Mevrouw, die is dood’.

‘Ik wil alleen haar kapsel’, dringt de vrouw aan.

‘Mevrouw, het kapsel van Farrah Fawcett is al veel langer dood. Bovendien staat het kapsel van prinses Diana u beter.

‘Maar die is toch al nog veel langer dood?’.

‘Daarom juist. U heeft een prima gezicht voor een heel lang dood kapsel’.

Naast haar zit een vrouw waarbij een borstel is achter gebleven in een krul. Echt waar. Een lange bruine haarkrul met daarin een eveneens bruine borstel.

De interviewster vraagt:

‘Is de kapper niet wat vergeten?.

‘Nee, dat komt nog. De vorige keer deed hij dat zo lekker. Alleen wij met z’n tweeën. Bedoelt u wat ik bedoel?’.

‘Geen idee, maar ik heb het over de borstel’.

‘Welke borstel?’

‘Daar in uw haar’.

‘O, die gekkerd’.

Wooiiing, het is tijd voor een reclameblok. Tijd voor een geneesmiddelreclame.

Een slapende man wordt overmeesterd door een klein monstertje. Het grijpt hem naar de keel. De man schrikt geëmotioneerd wakker, schudt en worstelt wild. Het is duidelijk: hij heeft een paniekaanval. Het monstertje grijpt zich stevig vast aan zijn keel. Hij loopt naar het medicijnkastje, maakt met een poedertje een drankje en drinkt het op. Hij schudt het monstertje van zich af en slaapt gerustgesteld in.

Wooiing.

Terug naar de kapper. Een medewerker van het bedrijf ‘Topline’ zit met een enorme föhn in een bos peenhaar te wroeten. Hij doet dat vol overgave en met bewegingen die een betere professie waardig zijn. De vrouw knort van genoegen.

De interviewster:

‘Heeft u uw haar lang niet laten doen?’

‘Charley, wanneer heb ik het voor het laatst laten doen?’

‘Ik denk eergisteren mevrouw’.

‘Nou, u hoort het. Eergister’.

‘Moet het zo vaak?

‘Nee, maar het is wel lekker. Ik heb moeilijk haar hè. En Charley masseert beter dan mijn vriend. Die rommelt met zijn dikke vingers maar wat aan. Dus, duidelijk hè.

In beeld schuift nu iemand met het kapsel van Liza Minelli. Maar dan nog nat. Zwart en kort en glad. De tanden van de kam nog zichtbaar. Daaronder een ontevreden gezicht met hangende mondhoeken. Minstens zestig en net zo’n leven achter de kiezen als Liza. Een leven vol drank, drugs, diëten, gemiste ouderliefde en verkeerde echtgenoten. Haar vertel je niets meer.


‘Laat geworden gisteren?’

‘Zie je het an me?’

‘Beetje.’

‘Gatsie’.

‘Nou ik doe er effe extra veel glue in en dan een beetje opborstelen. En dan schuif ik je meteen door naar de visagist, zodat ze vanavond niks merken van je wilde leven.’

In de studio komt er een oudere heer in beeld. Type autoriteit. Grijs haar en een pinkring.

Hij kijkt ernstig in de camera, draait even aan zijn ring en zegt:

‘Uit gedegen onderzoek is gebleken dat vrouwen van middelbare leeftijd gemiddeld langer in de stoel van de kapper zitten dan mannen van vergelijkbare leeftijd. Dat kan te maken hebben met de lengte van het haar, kort haar vereist immers minder knipwerk dan langer vrouwenhaar, maar mogelijk speelt ook testosteron een rol. Onze reportage van vanavond liet goed zien hoe groot die verschillen zijn. Wij wensen u een goede avond’.

Woooiing.
Ik schrik wakker. De reclame begint weer. Ik druk de tv uit en pak mijn boek met de titel ‘Een tijd voor empathie’. En daar was ik nu juist mee bezig.





maandag 30 november 2009

Spaanse import?

Coyboy-land zouden we vroeger zeggen, nog niet wetend dat de officieel geautoriseerde schrijfwijze ‘cowboy-land’ was. Zo ziet het achterland van de westelijke Algarve eruit. Achtergebleven, vergeten door de EU-miljoenen, slechts heel even aangeraakt door de moderne tijd. Verlaten huizen, desperado’s met een zwarte hoed op schonkige paarden, modderige four-wheels en autobanden markeren de ingang van het onverharde omheinde terrein. De radaren van een grote machine op het veld zijn stilgezet en verroest.



De jongeren zijn weggetrokken. Geen zin in het harde werk op het onvruchtbare land. Je bent jong en je wilt wat. De kust is vol gebouwd met vertier. Grote hotels, bars en restaurants zorgen voor een schijnbaar eindeloze stroom bezoekers. Daar wordt vier keer zoveel verdiend en daar zijn de meiden. Dan ga je niet voor een paar euro op een trekker die rode grond omploegen. Als je wat wilt ga je daar waar je dat kan vinden. Aan de kust dus. Dag pa, dag ma. Juan, en Felipe en Carlos, weg zijn ze.

En pa en ma en de honden blijven achter. Moe en ontluisterd omdat het grote geld aan hen is voorbij gegaan. Het land verwildert, het onkruid schiet op en de gaten vallen in de onverharde wegen. Op de hekken verschijnen borden met ‘Proibido, Terrenos privados’ en ‘ Aguardar o cão’.

Ik zit op een terrasje aan de haven van Portimoã. Ik zou je een bezoek aan dit stadje ten sterkste ontraden wegens verregaande toeristenuitbuiting à la de Spaanse costa’s, maar nu is het off season en we zijn maar met 5 mensen aan de dis. Ik wacht op gegrilde sardines De ober vraagt of ik eerst nog soep wil. Ik zeg nee, ik wil alleen de sardines met wat sla en desnoods wat brood. Maar geen sopa. Hoppa met je sopa.

‘Felipe’, wijst hij op zichzelf. Hij vraagt waar ik vandaan kom. ‘Holland’, zeg ik. Dat had hij al begrepen, maar waar in Holland. ‘Utrecht’, zeg ik, want Zeist lijkt me wat te moeilijk. Maar ook Utrecht blijkt te ver gegrepen. ’40 kilometer van Amsterdam’, probeer ik. Ha, dat weet ie, nou dat is nog een heel eind weg. Voordat hij verder gaat vraag ik hem waar hij vandaan komt. Ik voorzie namelijk een hele riedel vragen over wat ik doe, en of ik getrouwd ben, en kinderen heb, en hoe het weer nu is in Holland.

‘Uit Hoedeloeja’, versta ik. ‘Nee’, zegt hij ‘Odeluja’. Hij schrijft het voor me op. ‘Odelouca’, zo’n 20 kilometer landinwaarts. Zijn ouders hebben daar een boerderij. Eerst was zijn vader visser. Maar dat werd steeds moeilijker doordat de grote Spaanse vissersvloot hun quotum opviste. Zijn vader was teruggegaan naar de boerderij van zijn ouders met de belofte van veel inkomsten. De overheid zou het binnenland voor toeristen ontsluiten en die zouden met hordes lokale producten komen halen. Er was een mooie asfaltweg aangelegd. En toen was het wachten. Ze hadden zich toegelegd op de productie van aardewerken beeldjes. Daar zouden de toeristen dol op zijn. Nou ze moeten nog komen. Ze rijden over de mooie asfaltweg rechtstreeks door naar Portimoã en laten hun links liggen. De beeldjes worden nu in de boetieks aan de kust verkocht. Voor een kwart van de waarde.


Hij rent weg om twee mogelijk geïnteresseerde gasten naar binnen te lokken. Hij laat een mooie verse dourada, die wij goudbrasem noemen, zien, wijst op de heldere bolle ogen en knijpt in het vlees. Vers wil hij zeggen. De twee mannen zijn daar niet zo van overtuigd. Ze lopen weg. Hij lijkt niet teleurgesteld en komt naar mij terug.

‘Toen ik 20 was ben ik naar Portimoã gekomen. ‘We moesten toch wat. Van de opbrengst van het land konden we niet leven’. ‘Eerst was ik bell boy in een van de betere toeristenhotels’. ‘Ik kreeg een bruin apepakkie aan en moest voor toeristen die mijn ouders links lieten liggen, klaar staan om elke opdracht uit te voeren die ze me gaven. Felipe doe dit, Felipe doe dat’. De meeste gasten waren vriendelijk en gaven behoorlijke fooien. Maar er zaten ook schoften tussen. Dan werd hij vernederd en gepest. Hij kon daar niet tegen. Eén keer had hij wat teruggezegd. ‘Fuck you’, had hij gezegd. Dat zeiden ze ook vaak tegen hem. De gast had bij zijn baas geklaagd en hij was direct ontslagen. Gelukkig kende hij inmiddels wat mensen in de lokale horeca en hij was bij een bevriende restaurateur in dienst gegaan. ‘Ik verdien niet veel, maar genoeg om mijn ouders een klein beetje extra geld toe te stoppen’. Hij tuurde de parkeerplaats af naar nieuwe slachtoffers. ‘Ja. Zo gaat dat’.

Mijn gegrilde sardines waren inmiddels gekomen. Ik at ze met smaak. De huid was krokant en goed gekruid. Misschien een tikje te zout. Het vlees mals en de graten makkelijk verwijderbaar. Kortom een lekker maaltje voor tussendoor. ‘Spaanse import’, sneerde Felipe toen hij weer eens langs liep. ‘Wablief?’, vroeg ik. ‘Die sardines’. ‘Smaken die anders dan Portugese?’, vroeg ik redelijk tactloos. Felipe deed of hij het niet hoorde. Hij kwam alleen nog terug om de rekening te brengen. Ik gaf een extra grote fooi.




dinsdag 24 november 2009

Een tevreden roker?

Er klinkt gerochel op het overloop. Er wordt gekucht en slijm opgehoest. Hij is wakker. Ik kijk op de wekker. Het is zes uur in de ochtend. Ik luister intens naar de geluiden. Het gekraak van de trap als hij naar beneden loopt. Het rustige tik -----tak------tik------tak van de staande pendule in de hal. Het gepiep van de ovenklep die hij opendoet om het brood erin te schuiven dat over een uurtje zo’n heerlijke geur naar boven zal zenden. Hij rochelt weer. Uche-uch. Hij verschuift een stoel. Hij zal wel zijn gaan zitten en ‘Trouw’ voor zich hebben uitgespreid. Ik draai me om. Ik voel me heel veilig in dit bed. Ik val weer in slaap. Helemaal tevreden. Ik ben 13 jaar en logeer bij opa.


Opa was bakker geweest. En een niet onsuccesvolle bakker. Hij had daarmee genoeg geld verdient om een huis te laten bouwen aan de Kerkewijk in Veenendaal. ‘Oase’ heet het. Een mooi wit huis, met een uitgebouwde serre waarin een tropisch oerwoud welig tierde. Daar kon je je terugtrekken op stoelen gemaakt van gebogen bamboe als je even geen zin had in het vertier van een druk huishouden. Weggedoken in het oerwoud hoorde je nog de het geluid van de tennisballen die heen en weer geslagen werden op de banen van een Veenendaalse tennisclub achter het huis. Pok……..pok…..…..pok. De slagenwisselingen gingen nog niet zo snel als nu. Pok……..pok…..…..pok. Ik fantaseerde de stem van Willem O’Duys erbij, die Wimbledon versloeg. ‘Ah, wat een fantastische rally. Hij kwam precies op zijn backhand en retourneerde met een dropshot’. ‘Advantage, Mr Okker’, zei de umpire. Beschaafd applaus klonk op de achtergrond.

Opa was getrouwd met mijn oma, laat dat duidelijk zijn. Zij hadden een wat gecompliceerde relatie. Hun vierde kindje was op vijfjarige leeftijd gestorven. Tijdens een vakantie aan de kust was het knulletje gaan pootje baden in de zee en had daar een longontsteking aan overgehouden. Hij stierf kort daarop. Het was 1929. Er was nog geen penicilline. Zij had dat verlies nooit kunnen accepteren en vluchtte in haar geloof. In het vervolg kwam hij op de tweede plaats. Eerst kwam God en de goede werken. Dan hij. Hij berustte daarin. Leek het.


Hij begon een tweede beroepsleven als vertegenwoordiger in tabakswaren; zeg maar een accountmanager in sigaren. Bij Ritmeester in Veenendaal. Hijzelf was het beste voorbeeld van een ‘tevreden roker is geen onruststoker’. Hij pafte sigaren en pijpen. Onderuitgezakt in een leren fauteuil, met de horlogeketting over zijn buik en een rond brilletje op zijn neus, liet hij zich fotograferen voor een reclamecampagne. Nog jaren zag ik zijn portret in de etalage van een tabakszaak op de Munt in Amsterdam.

Ze kregen in totaal ze zes kinderen; vier meiden en twee jongens. De oudste was misschien wel de begaafdste. Zij was kunstzinnig aangelegd. In haar jonge jaren wilde ze graag naar de kunstacademie maar daar moest pa niets van hebben. Poelen des verderfs, noemde hij ze. Ze mocht wel een kamer in Wassenaar en daar privé-lessen volgen bij kunstschilder Roeland Koning.

In Veenendaal was inmiddels (1960) besloten tot de bouw van een nieuw hypermodern kerkgebouw, de Petrakerk, een paar huizen verderop aan de Kerkewijk. Men vond het gepast dat in zo’n mooi gebouw een raam van allure kwam. Maar wie zou dat betalen? Ik citeer het ‘Gelders Dagblad’ van 9 februari 1996:

‘En dan spreekt wijlen C.J. van den B., lid van de commissie van beheer en zeer betrokken bij de bouw van de kerk, deze gedenkwaardige woorden: ‘Geen geld? Mijn dochter doet het voor niets!’

Het is niet helemaal duidelijk of opa de strekking van wat hij zei ook duidde, maar zijn onderschatting van de zwaarte van de opdracht was evident. Een glas-in-lood raam van maar liefst zestig vierkante meter. Voor niets. Zijn dochter nam de uitdaging niettemin aan. Dagenlang zat ze met haar schetsboek in Ouwehands dierenpark vissen, leeuwen, herten, eenden en flamingo’s te tekenen.

‘In het midden van de tuin laat ze Adam alvast namen aan de dieren geven. Met deze eerste mens weet ze naar haar eigen zeggen nauwelijks raad. Zo’n grote naakte man prominent op een metershoog raam in de kerk dat gaat niet. Ze besluit iets op de bijbelse geschiedenis vooruit te lopen en voorziet Adam van een paar forse vijgenbladeren. De kleuren die ze bedenkt en de combinaties daarvan zijn buitengewoon. Zilverachtige vissen in een donkerblauwe en groene watermassa. Iets hogerop gaat het donker over in een weelderige vegetatie met veelkleurige dieren en vogels. Achter de eerste mens laat de zon z’n gouden stralen naar alle kanten omhoog schieten’. Aldus het ‘Gelders Dagblad’.


Vier jaar later overleed opa plotseling, 77 jaar oud. Er waren wat klachten. De bloeddruk drukte. Toen op een middag de huisarts ter controle bij hem kwam en een opmerking maakte over een glas ouwe jenever op het tafeltje, antwoordde opa: ‘Ik zag je aankomen en dacht ik zet de borrel vast klaar’. Tegen Magere Hein heeft hij vast hetzelfde gezegd.

woensdag 18 november 2009

Kein gezeik

Het was niet bepaald Tramlijn Begeerte, lijn 9 in Amsterdam. Althans voor ons niet. Lijn 9 was meer Tramlijn Aanvalluh. Want het eindpunt van lijn 9 was voor vele Amsterdammers het Ajax-stadion. Daar kwam hij piepend en bellend tot stilstand op de keerlus en ontdeed zich op zondag van de horde supporters die kwamen kijken naar de verrichtingen van Johan Cruijff, die recht tegenover de halte woonde in Betondorp.



Tramlijn 9 bestaat sinds 28 december 1903. Dat heb ik even opgezocht want zover gaat mijn herinnering niet. De lijn is meerdere malen aangepast, maar verbond immer het centrum met de Watersgraafmeer. In de periode dat ik daar woonde, reed hij van het Ajax-stadion langs het exotische Tropenmuseum, de Muiderpoort, een stadspoort uit 1770, voorbij Artis, dat voluit Natura Artis Magistra heet, langs de eeuwenoude Hortus Botanicus, het Waterlooplein met zijn tweedehands spullen, gillend en vonkend door de bocht langs de Amstel, luid bellend de Dam over en dan via het Damrak naar het Centraal Station.

Op de bok zat de trambestuurder. Rechtop, want het was een beroep vol historie en eer. Met zijn rechtervoet stond hij op een metalen pedaal die een mechanische bel bediende en met zijn rechterhand beminde hij het stuur waarmee de snelheid geregeld werd. Wat zijn linkerkant aan het besturen bijdroeg was grotendeels aan het gezicht onttrokken maar wat zijn mond deed niet. Daarmee gaf hij commentaar op alles wat in de omgeving ophield. ‘Rot op met je hondenhok’, fulmineerde hij tegen het Dafje dat niet gauw genoeg uit zijn spoor verdween. ‘Gajes’, schreeuwde hij naar een paar jochies die steentjes in de rails gooiden in een onbeholpen poging de tram te laten ontsporen. ‘Schorum’. En naar een keurige dame die haar halte voorbij zag gaan zonder dat de tram stopte en reageerde met een ’Chauffeur ik heb gedrukt’, riep hij lachend, ‘Grote meid. En nu goed afvegen’.

Op zaterdagavond stapten wij aan boord van lijn 9 op halte Hogeweg. We maakten het ons gemakkelijk op de houten bankjes en keken tevreden naar het voorbij schietende tafereel. Amsterdam ging zaterdagavond vieren en dat was feest. Op halte Rembrandtplein stapten we uit. De terrassen zaten vol en voor het revuecafé Saint-Germain-de-Près stond een rij wachtenden voor een optreden van Dorus. Wij liepen een steegje in en aangekomen aan de Amstel traden we binnen in het café van Frau Beate.

Frau Beate zelf stond achter de tap. Ze was een charmante vijftiger met een zwaar Duits accent. ‘Ha Keessszzzz’, zei ze als ik binnenkwam. En ‘Gutenabend Hansssszzzz’, sliste ze naar mijn kompaan. ‘Ik verwachtte jullie’. Wij groetten terug en hesen ons op de rode barkrukken. We keken rond. Het was weer een gemengd gezelschap. Wat Amerikanen een enkele Fransman, een blikje studenten en wat alternatieven. Geen dronkenlappen, zwervers of druggebruikers. Die kwamen er bij haar niet in. Die zette ze er zelf uit. Dit was een keurige kroeg. ‘Kein gezeik. Buiten doen jullie maar wat jullie willen maar hier ben ik de baas.’.

De kroeg was lang en smal en hing vol met koper, dat ik in een bui van pure naastenliefde eens allemaal gratis heb gepoetst, maar daar was ze niet helemaal tevreden mee want overal zag ze nog witte streepjes. ‘Nah, Keeessssszzzz, dan kan ik het net zo gut selbs machen’. ‘Fuck you’ dacht ik en zei met een grimlach dat ik het nog ééééén keer over zou doen. En dan nooooiiit meer.

Wij dronken ons in zoals ze dat tegenwoordig noemen. Niet dat dat indrinken veel voorstelde. Twee pilsjes en een bierworstje daar bleef het bij. Geld was schaars in die dagen. We luisterden naar de zeer persoonlijke jukeboxkeuze van Beate. Nina Simone, Sarah Vaughn, Hildegarde Knef (Ach Knef. Die donkere stem.
‘Berlin, dein Gesicht hat Sommersprossen,
und dein Mund ist viel zu groß,
dein Silberblick ist unverdrossen,
doch nie sagst du: Was mach' ich bloß?’)
en dan op eens, tetteretet, eine kleine Nachtmusik en de Mondscheinsonate. Geen Beatles, Stones of andere pop. Het publiek selecteerde zichzelf. En Frau Beate had kein gezeik.

Ik kom er nog wel eens langs als ik naar het centrum rij. Nu zit er een coffeeshop in: ‘The Bushdoctor’. Ze had ze er allemaal uitgeschopt.

zondag 8 november 2009

Billen op weg naar de top

Onze geliefde, maar veel geplaagde vorstin was één dezer dagen in Mexico op staatsbezoek. Het Mexicaanse publiek trok zich daar niet veel van aan. Youp schreef in NRC: ‘…..je ziet aan de burgemeester dat hij weliswaar intensief gegoogled heeft, maar dat hij eigenlijk nog steeds geen idee heeft wie hij voor zich heeft’. Toen had zich het incident met de garnaal nog niet voorgedaan. Nu weet elke Mexicaan in ieder geval wie onze veel geplaagde kroonprins is.


Ook ik was eens in Mexico. En ook op mij stond geen mens te wachten. Dat kwam enerzijds doordat ik vlak voor middernacht aankwam, en op dat uur is een gemiddelde Mexicaan een drugsoorlog aan het uitvechten, en anderzijds omdat geen mens mij daar kende. En geef ze eens ongelijk.

Het was dus middernacht en ik had mijn huurauto afgehaald, een 4-wheel, hoewel ik een Kever had besteld. Kevers worden daar geproduceerd en rijden er bij bosjes rond. Maar nu waren ze op of kapot of weetikveel in het Spaans. Ik kreeg een witte Suzuki Vitara. En daar stond ik dan. Op de parkeerplaats van het vliegveld van Merida op het schiereiland Yucatán. Ze hadden voor mij een kamer geboekt in Ticul, een stadje ruim honderd kilometer verder landinwaarts. In het pikdonker voor het eerst op het onbekende pad in Mexico leek mij geen aanbeveling. Ik had gelezen over de vele gaten in de weg, de loslopende honden en rondzwervende koeien. Ik besloot via een goed verlichte route naar de dichtbij zijnde kust te rijden en in een daar ongetwijfeld voorhanden zijnd toeristenhotel mijn eerste nacht door te brengen.

En zo kwam ik terecht in een riante loft met aan drie zijden een vrij uitzicht over de golf van Mexico. Ik pakte wat aller-noodzakelijkst uit, zakte weg in een love chair en tuurde naar het donkere water. Langzaam sliep ik in. De volgende ochtend stond ik vroeg op om eens lekker te ontbijten. Ik nam de lift naar beneden en liep daar een all-inclusive-paradijs in. Het buffet was afgeladen met enchiladas, tortas compuestas, sopes, quequesadillas enz. Net zo vreemd als de namen was mij de samenstelling. Ik waagde me er niet aan op het vroege tijdstip. Gelukkig was er ook een Europees ontbijt, maar wel in een Zuid Amerikaanse uitvoering; heel veel fruit.


De zaal zat vol met bruingebakken Europeanen en Amerikanen, die hier hele dagen op het strand lagen en zich all-inclusive te barsten vraten. Na 10 dagen rolden ze het vliegtuig weer in terug naar de baan van 9.30 tot 17.00 uur. Van de Maya’s pikten ze nog net een piramidetje uit de souvenirwinkel mee.

Ik ging op pad. Eerst naar Uxmal, het centrum van de Maya-barok. De weg ten zuiden van Merida was verlaten en het landschap kaal. Slechts af en toe is er een heuveltje dat hier ‘Puuc’ heet. De Maya’s leefden in grote onafhankelijke stadstaten zoals Uxmal, Chichén Itzá, Kabah en Xlapak. Het waren bloeddorstige krijgers dol op oorlogen en mensenoffers. Maar ze hadden ook veel kennis van de astronomie en mathematiek.


Uxmal bestaat uit een aantal piramides, een ‘nonnenklooster’en een stel overheidsgebouwen. De ‘Pirámide del Adivino’, de piramide van de tovenaar, is 35 meter hoog. De trappen zijn gigantisch steil zodat je aangeraden wordt die op handen en voeten te bestijgen. Dat gaf een wat merkwaardig gezicht als je dat van onderen bekeek, die op een neergaande billen op weg naar het heilige der heilige. Menigeen redde de klim niet en keerde achteruit dalend, bezweet en trillend terug op aarde. Ik probeerde het niet eens.


Ik stapte in de Suzuki en besloot door te rijden naar mijn hotel in Ticul. Na een kilometertje of 15 zag ik in de verte wat objecten in deze verder zo verlaten omgeving. Over de weg lag een meer dan vuistdik kabeltouw. En rechts daarvan twee geüniformeerde en belaarsde agenten.

‘Mijd te allen tijden de Mexicaanse politie; zij helpt u zelden en verergert vervelende situaties’, waarschuwde mijn reisgids. ‘Mocht u toch met de politie te maken krijgen dan is de belangrijkste regel om zo kalm en beleefd mogelijk te blijven’. Ik zette mijn allervriendelijkste gezicht op en de gedachte aan een uitbraakpoging uit mijn hoofd. Heel beleefd draaide ik het raampje open toen één der koddebeiers zich opmaakte mij te bevragen. ‘Buenos dias. Qué tal?’ zei ie. Ik groette hem vriendelijk terug: ‘Bueno dias’ en dook in het dashboardvak op zoek naar paspoort, rijbewijs en autopapieren. Weer boven water bood ik mijn bescheiden uiterst beleefd aan aan de pet. Hij woof mijn goede bedoelingen met een lach weg en gebaarde dat ik door kan rijden. Zijn collega trok de kabel weg.




zondag 1 november 2009

Het lichtend pad

Ik pak de treuzelaar, mijn turkooizen koffer, passeer de douane en ga op zoek naar een taxi die mij naar mijn hotel in Lima, Peru brengt. Het is druk in de hal. Overal staan groepjes afhalers die langverwachte familieleden aan de borst drukken. Het gaat er daarbij hard aan toe. Huilen en omarmen en op de rug slaan. De actoren in ‘Hello, Goodbye’ van Joris Linssen zijn hiermee vergeleken een stelletje autisten. Hier wordt geknuffeld en geleden dat het een lieve lust was. Nou ja, niet mijn lust. Ik ben op zoek naar een taxi.

Tussen de geëmotioneerde halers en brengers staan twee onbewogen heren. Laten we ze Juan en Pedro noemen. Ze zij even groot, hebben beiden zwart gel-haar met een scheiding en een zwart leren jack. Zij dragen een bord met het opschrift ‘Seňor Santer’. Huh, voor mij? Ik kijk om mij heen om te zien of er misschien nog iemand met de naam Santer is die zich meldt. Juan en Pedro kijken mij echter bemoedigend aan. ‘Mister Santer?’ Nu wordt het toch echt uitkijken geblazen. Zo dadelijk zit ik tussen deze twee gladjakkers ingeklemd op de achterbank van een auto op weg naar een wekenlange gijzeling door het ‘Lichtend Pad’, de plaatselijke terroristenclub.


Want zoveel wist ik nog wel van Peru. Ik had me verder slecht voorbereid op deze reis. Ik had met een half oog deze reis geboekt en betaald. Ik had het druk op mijn werk en wilde er op korte termijn even tussen uit. Recent had ik een boek gelezen van iemand die zich het doel had gesteld zowel op het laagst als op het hoogst gelegen, bevaarbare meer te zeilen. Dat was hem na veel bureaucratisch gedonder, gelukt. Hij zeilde op de Dode Zee en op het Titicacameer in het Andes-gebergte. Dat leek mij ook wel wat. Niet dat zeilen, maar wel een bezoek aan dat mysterieuze meer met de fameuze rieteilanden van de Uros-indianen, hoog in de Andes. En dan plakte ik er onderweg nog even Machu Picchu (Oude Berg), Cuzco, een treinrit door het hooggebergte en een bezoek aan Puno aan vast. Zo gezegd, zo gedaan.

En nu sta ik in de hal van de luchthaven van Lima, waar twee stevige heren wachten op mijn besluit of ik nu wel of niet de seňor Santer van het bordje ben. ‘Mister?’ Ik besluit het erop te gokken. Yes, ik ben mister Santer. Ze kijken opgelucht. Dat is hem dan. Zij pakken de treuzelaar en lopen met gestrekte pas richting uitgang. ‘Daar gaat me goeie goed’, denk ik en loop achter ze aan. We komen aan bij een alleszins nette Japanner, waar Juan de achterportier openhoudt en Pedro mijn koffer onder de klep deponeert.


Zij weten de weg en vragen mij niet waar ik heen moet. Ze zijn duidelijk geïnstrueerd. De vraag is nog steeds door wie? We racen door een moderne stadswijk, terwijl de niet chaufferende Juan mij vraagt waar ik vandaan kom. Ik vertel het hem en hij knikt bevestigend. Dat had hij al vermoed. 'En hoe duur zijn bij jullie de mobieltjes?', is zijn volgende zet. Hij houdt zijn toestel stevig vast. Ik vertel hem dat, als je er een abonnement bijneemt, de toestellen zelf vaak gratis zijn. Hij vertaalt het voor de chauffeur en samen zijn ze verbaasd over zoveel vrijgevendheid.

‘Bent u katholiek?’ We springen wel van het ene naar het andere onderwerp. En voor we het weten zitten we in een diep-religieuze conversatie over de voor- en nadelen van het katholieke geloof in deze seculiere tijden. Beide mannen gaan dagelijks tweemaal ter kerke. Ik vraag ze: ‘En de zon en de maan dan?’

In het vliegtuig had ik wat rond gesnuffeld in de Lonely Planet-uitgave over Peru. De Inca's geloofden in de kracht van de zon als weldoener van de Aarde. De zon werd daarom vaak geëerd met zonnefeesten. We moeten daarbij bedenken dat de hemel zoals die door de Inca’s werd waargenomen niet te vergelijken is met wat wij nu zien. Zij zaten vaak op zeer grote hoogten (Machu Picchu ligt boven de 3 km) en zonder lucht- en lichtvervuiling. Op die hoogten was de hemel zeer goed zichtbaar; de melkweg (de hemelse rivier) zal zeer helder geweest zijn en elke ster goed zichtbaar. De Inca’s observeerden de bewegingen van zon, maan en melkweg en berekenden daaruit o.a. een kalender en de twee belangrijkste rituele data van het jaar; Capac Raymi (midzomerfeest in december) en Inti Raymi (midwinterfeest in juni). Ook berekenden ze aan de hand van de bewegingen allerlei biologische cyclussen en baseerden daarop de zorg voor hun gewassen en lamakuddes.


Pedro en Juan knikken vol ongeloof over zoveel bijgeloof. Zij geloven alleen in Maria’s goede zorgen. Daar kan geen maan wat aan veranderen. Na een uurtje stevig doorscheuren zetten ze me af bij een hotel. Het klopt. Ik heb een voucher voor dit hotel in mijn rugzak. Juan vraagt of ze me vanavond het nachtleven moeten laten zien. Ik zeg dat ik na 13 uur vliegen naar bed wil. ‘Okay, dan komen we u morgen halen voor uw vliegtocht naar Cuzco. Tot morgen.’ En zonder te hoeven betalen rijden ze weg. Aan de receptionist vraag ik wie dat waren. ’Van het reisbureau’, zegt hij.

zaterdag 24 oktober 2009

Heftige ochtend

Het is koud, nat herfstweer. Ik rij door de binnenlanden van Zuid-Holland op weg naar een zorgboerderij. Niet dat ik zorg nodig heb, maar anderen wel. Ik kom ze een heel klein beetje helpen. Met wat geld. Namens de GD. Ik ben een kwartier te vroeg doordat TomTom mij weer flitsend in één keer naar de juiste bestemming heeft gebracht. ‘Bestemming bereikt’, zegt ie dan. Maar zover is het nog niet.


Ik parkeer naast een sloot, zet de motor af, druk zoevend het portierraampje naar beneden en kijk in de ogen van zeven soepganzen die aan de andere slootkant koud zitten te wezen. Ze doen niets, de ganzen. Ze zitten te suffen en rekken af en toe hun nek uit, zodat het onderste deel van hun snavel onder het water verdwijnt en ze met een schepbeweging wat water in hun bek kieperen. Bij het doorslikken kijken ze genietend. Dan suffen ze weer door. Ik groet ze vriendelijk, maar er kan geen ‘gak’ van af, ze vinden mij niet interessant.

Er zijn zo’n 1000 zorgboerderijen in Nederland, lees ik in een folder. Daar wordt aan mensen met een beperking een zinvolle dagbesteding gegeven. Veelal zijn dat verstandelijk gehandicapten, dementerenden, mensen na een hersenbloeding, psychische afwijkingen, nou ja, noem maar op, mensen dus die begeleiding nodig hebben. Zorgvraag heet dat.

Het is bijna tijd. Ik start de motor en rij het smalle pad op. Nummer 56 moet het zijn. Hofzicht heet het. Ik parkeer de auto op het deel en stap uit. Ik had mijn komst aangekondigd en verwachtte dus een comité van ontvangst. Ha, daar is die meneer met de poen. Maar niemand. Ja, een hond. Maar zelfs die waagt zich ter begroeting niet onder de bekapping vandaan. Het regent. Ik loer door een raam naar binnen. Een eindje verder in het gebouw zie ik een grote groep mensen aan de koffie. Ik loop naar de deur en maak mijn entree. Elf gezichten kijken me vol verwachting aan. Nou ja, kijken me aan? De helft tuurt ergens naast mijn hoofd of richting plafond.

Ik probeer te ontdekken wie begeleid wordt en wie begeleidt. Wat nog niet zo eenvoudig is. Uiteindelijk komt er een jonge vrouw op mij af, die voordien bezig was twee kemphanen uit elkaar te houden. ‘Lisette’, stelt ze zich voor, ‘Lisette Noordervaart’. Dat klopt, die naam stond op de site van zorgboerderij Hofzicht. ‘Aangenaam’ zeg ik, ‘Santer’.

Een vrouw in een rolstoel kijkt geïnteresseerd vlak langs mij heen. Ik schudt haar uitgestoken hand en vraag naar haar naam. Ze zegt niets. Ik neem mijn hand terug. Ze schijnt het niet te merken. Een eindje verderop staat één van de kemphanen op zijn tenen te wippen. Hij wil ook een hand. Ik duw mijn hand in zijn grote werkershanden en vraag naar zijn naam. ‘Whaf’ of zo, zegt hij. ‘Hans’ zegt Lisette. ‘Dag Hans’, zeg ik.

‘Kunnen we even apart zitten en ons voorstel even bespreken?’, zeg ik tegen Lisette. ‘Natuurlijk. Koffie?’ Ze duwt Hans de andere ruimte in, ik volg haar en achter mij sluit de rolstoelster aan. De schuifdeur gaat dicht. Nadat Hans met zachte dwang naar een stoel in de hoek is geduwd, gaan wij aan de tafel zitten. De rolstoel met bewoonster tussen ons in. We bespreken het voorstel. Lisette is blij verrast en kan elke hulp goed gebruiken.

Opeens staat Hans op en loopt snel naar de tussendeur op weg naar zijn vijand in de kamer ernaast. Maar voordat hij hem helemaal open heeft, is Lisette al tussenbeide gekomen. Zij duwt hem de kamer weer in en schuift de deur dicht. Hans loopt nu snel naar de rolstoel en geeft de inzittende een dreun op haar achterhoofd. Die blijft bewegingloos zitten, versuft van de plotselinge klap. Lisette pakt Hans beet en brengt hem naar een bureau in de hoek. ‘En nou zitten blijven’.

We praten door alsof er niets gebeurd is. Lisette lijkt ook niet echt onder indruk. Mij doet het terugdenken aan de paar weken die ik als vakantiekracht doorbracht op het psychiatrisch centrum de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder. Ook daar gebeurde met regelmaat zeer onverwachte dingen die afgehandeld werden alsof het volledig binnen de omgangsregels viel.


Op de eerste dag kwam ik binnen en liep de gang in om mijn jas ergens kwijt te raken. ‘Hoooiiiii’, brulde er iemand keihard in mijn oor. ‘Goedemorgen’, zei ik met de mimiek van iemand die het volstrekt normaal vind als iemand je om 8 uur ’s ochtends luidkeels en met uitgestoken nek ‘Hoooiiiii’ toebrult. Ik hing mijn jas op en liep de gang op. Ik schrok me dood. ‘Hoooiiiii’, brulde de matineuze toeteraar opnieuw. Ik zei niets. Ik ben niet achterlijk. Zo dadelijk loop ik die man vandaag twaalf keer tegen het lijf. Het werden er maar 6 keer. Ik deed mijn handen al voor mijn oren als ik wat zag bewegen in de gang.

’s Avonds mail ik naar Lisette de bevestiging van wat we hadden afgesproken. Ik schrijf: ‘Heftig vanmorgen. Je doet goed werk, dat is duidelijk’. Zij mailt terug: ‘U hebt inderdaad wel gelijk de meest heftige ochtend mee gemaakt. Over het algemeen is het allemaal heel gemoedelijk hoor’. Het zal wel aan mij liggen.

vrijdag 16 oktober 2009

1969

1969, dat was me een mirakels jaar.


1969, Niels Armstrong zette als eerste mens voet op de maan, onder het uitspreken van de gedenkwaardige oneliner: ‘That's one small step for a man, one giant leap for mankind.’

1969, de moeder van alle popfestivals werd georganiseerd, Woodstock. 400.000 mensen luisterden naar Joan Baez, Creedence Clearwater Revival, Crosby Stills Nash & Young, Melanie en Janis Joplin.



1969, Shocking Blue had een nummer 1 hit in de VS met ‘Venus’.

1969, via Arpanet lukte voor het eerste data te verzenden van de universiteit van Los Angeles naar Stanford Research Centre in Silicon Valley. Internet was geboren.

1969, John Lennon en Yoko Ono lagen in het Amsterdamse Hilton-hotel in bed voor de vrede.

1969, Lenny Kuhr won het Eurovisie Songfestival met ‘De troubadour, mais non, monsieur’.

1969, Jane Birkin zong ‘Je t’aime, moi non plus’. In Frankrijk werd dat hijgnummer snel verboden wegens verregaande obsceniteit van de tekst.

Het was me een mirakels jaar. En ik? Ik voer als bordenafwasser mee op M.P.S. ‘Amsterdam’ van Botel Cruisse van rederij Zwaag. Dat was een gewild vakantiebaantje. Je zag wat van Europa en je werd nog betaald ook.

De ‘Amsterdam’ was een zgn. botel; een varend hotel. We voeren vanaf het Centraal Station in Amsterdam naar het Bassin du Commerce in Straatsburg. Over heen- en terugtocht deden we zo’n zeven dagen. We hadden een paar bussen bejaarden aan boord zien gaan en dat was alles wat we van onze gasten zagen. De technische dienst werd verondersteld achter de schermen te werken. Het directe contact was voorbehouden aan de stewards en stewardessen en aan de Kapitein natuurlijk, die hier heel bedrijfskundig ‘manager’ werd genoemd. Ik heb de manager nooit gezien. De man hield zich op eenzame hoogte bezig met management-zaken, niet met de technische dienst.


Ik en mijn kompaan werden aangestuurd door een stevig drinkende oud-matroos met melkboerenhondenhaar en een schort voor. Een groot deel van de dag werkten we in de keuken en als onze lieve gasten naar bed waren slopen wij door de gang om de buitengezette vaat op te halen. Als we ’s ochtends om een uur of tien klaar waren mochten we van boord en de stad in waar we die dag voor een paar uur hadden aangelegd.

In de keuken leerden we afdrogen en hoe je met een theedoek een kurk van het aanrecht kon meppen. Dat deed de matroos voor. Je nam de theedoek daarvoor vast aan twee tegenover elkaar gelegen hoeken, draaide de doek op door hem horizontaal rond te draaien, dan liet je een punt los en knalde als met een zweep met die punt de kurk van het blad. Katak! Wij deden daar wedstrijden in. Wij zetten een heel stel kurken op een rij en mepten die er een voor een af. Of niet.


Het was 21 juli 1969, ’s ochtends om 6.30 uur. Ik was de borden aan het ophalen van die gasten die de avond ervoor op hun kamer hadden gedineerd. Die ochtend was om 3 uur Apollo11 op de maan geland. In de lounge stond de zwart-wit tv afgestemd op de BBC uitzending vanaf Cape Canaveral. Door de gang schuifelde een oude dame in ochtendjas. Ze kwam van de wc en voelde zich betrapt. Ze zei: `Good morning´, in haar beste Engels, wat heel goed was, want ze kwam uit het Verenigd Koninkrijk, net als al onze andere gasten.

Ik wenste haar ook een zeer goede morgen en vertelde dat als ze opschoot, en dat leek me in haar geval heel lastig, ze nog net de herhaling kon zien van de eerste mens die voet op de maan zette. Zij verschoot van kleur, riep ´Oh dear, dear´ en verdween in haar kamer.

Later die dag kwam ik haar tegen tijdens het passagieren in de stad. Ze stelde me aan haar man voor en vertelde dat zij die ochtend zo genoten hadden van de televisiebeelden. Dat ze dat nog mochten meemaken. `Thank you, thank so much´, en ze kneep me met onverwachte kracht in mijn hand.

We voeren langs Keulen, Königswinter, Koblenz, langs de Lorelei en Karlsruhe en kwamen na drie dagen aan in Straatsburg, Frankrijk. Hier zou de ´Amsterdam´ gereed en schoon gemaakt worden voor de terugtocht. De bejaarde gasten moesten allemaal van boord en zouden in bussen de omgeving verkennen, de Notre Dame bekijken en zich bezatten tijdens een wijnproeverij. Maar zover was het nog niet. Eerst moesten de bussen nog komen. Maar de gasten moesten wel van het schip af. De opruimploegen hadden een strak schema.

Wij, de vakantiehulpen, kregen de opdracht het dek schoon te boenen. En, werd ons geïnstrueerd, maak daar een flink waterballet van. Spuit elkaar lekker nat en ren over het dek. Dan worden die ouwetjes afgeleid en gaan ze niet klagen over het verlate vertrek. Dat was niet aan dovemansoren gezegd. Op blote voeten en ontbloot bovenlijf gingen we aan de gang met waterstralen, bezems en dweilen. Wij werden er erg schoon van.


Toen de 100 passagiers beneden opgekrast waren, hadden we nog één verrassing in petto voor alle Franse passanten op de kade. We draaiden via de luidsprekers op het dek het hijgnummer ´Je t´aime, moi non plus´ van Jane Birkin. Dat was een hit in Nederland, waarschijnlijk omdat we te weinig kennis van de Franse taal hadden om de finesses van de tekst goed te laten doorkomen. ´Je t´aime, je t´aime, oh, je t´aime´. Nou dat ging nog wel. ´moi non plus´. Pardon? Ik al evenmin? Waar slaat dat nu op? ‘tu est la vague, moi l’île nue’. Naakte eiland? Ik? Waar heb je het over?

Maar de muziek was mooi en wij zongen uit volle borst ‘entre tes reins, et je me retiens’. Op de kade joelden de Franse scheepslui. Het lied was verboden in Frankrijk, maar de police kon niks uitrichten tegen onze provocatie. Wij stonden op Hollandse bodem.