donderdag 29 januari 2009

Rijd u vooral door

Miami International airport. Mijn vlucht uit New Orleans was geland. Of eigenlijk kwam ik uit Chicago, omdat er geen rechtstreekse vlucht uit New Orleans naar Miami was. De rechtstreekse vlucht is een kleine 1000 km, een ruim uurtje vliegen, nu was de vlucht 3000 km en duurde inclusief overstap 5 uren. Stel dat zo’n honderd passagiers met mij deze omweg moesten maken, dan werd hier zo’n 8000 liter kerosine vermorst (voor de exacte berekening kun je contact opnemen met de auteur). Met deze berekening nog in mijn hoofd spoedde ik mij naar de Alamo-desk. Ik heb een auto gehuurd en verwachtte een lekkere fikse pooier-bak. Vol verwachting klopte mijn hart.

Het was druk bij Alamo. Er stond een hele lange slingerende rij mensen, die allemaal snel weg wilden. Ongeduldig hielden zij hun papieren in de hand. Langs de kant stonden en zaten hun reisgenoten die op de spullen pasten. Amerikaanse jongelui pikte je zo uit dit internationale gezelschap. Die stonden niet, maar lagen op de grond. Koptelefoon op en kauwgum kauwend. Kennelijk waren ze nu al moe van de gedachte aan die snelle dynamische toekomst die er voor hen lag.

Vlak voordat ik aan de beurt was kwam er dame in Alamo-uniform naar me toe, die me een papiertje in de handen drukte en me toefluisterde dat ik eerst deze instructies moest doornemen voordat ik überhaupt in aanmerking kon komen voor één van hun volprezen automobielen. Ik verwachtte enige ronkende taal over aansprakelijkheid, krasjes en terugbreng-informatie. Maar wat ik las was heel andere koek. In verband met de criminaliteit in Miami werd ons, in een soort tien geboden, verzocht:

- Indien de auto op een parkeerplaats werd achtergelaten deze niet af te sluiten i.v.m. mogelijke inbraakschade;
- Indien de auto van achteren werd aangereden, niet uit te stappen maar door te rijden naar het eerstvolgende politiebureau of goed verlichte parkeerplaats;
- Indien car-jackers de auto opeisten, deze zonder dralen mee te geven en geen verzet te bieden;
- Ramen en sloten onder alle omstandigheden gesloten te houden;
- Enzovoort, and so on.

‘Have a time-out in Miami’, stond ronkend op de borden aan de muur. Met je staart tussen je benen door Miami rijden, omdat je bij een aanrijding niet uit je auto mag stappen en je hart luchten met een welgemeend: ‘He druipsnor. Wat doe je nou, bezopen kat? Kan je je rem niet vinden? Als je niet kan autorijden waarom ga je dan niet eerst een paar lessen nemen, voordat je je hondenhok in mijn auto parkeert? Scientology-fan?’ Dat lucht op. Maar nee, hier moest je eerst een politiebureau of een goed verlichte parkeerplaats zien te vinden voordat je de schade kon opnemen. En je ervan verzekeren dat nergens een wapen op je gericht werd. Have a time-out in Miami.

Ik kreeg uiteindelijk mijn bak. Hij was groot. Volautomatisch, deinend en zoevend. Ik voer richting Miami-beach, want daar heb ik een hotel geboekt. Eigenaardig Nederlands. Een hotel boeken. Je boekt geen hotel, je boekt een hotelkamer. Anders wordt het wat begrotelijk. Mij werd een kamer toebedeeld met uitzicht op een blinde muur. Ik hobbelde dus weer naar beneden en vroeg om de gereserveerde kamer met ocean-view. Geen punt voor de dame achter de receptie. Zij wisselde de kaartjes om en toen had ik een kamer met uitzicht op de Atlantische Oceaan. Tenminste, als ik op een stoel ging staan en me heel lang maakte. Het raam was nogal hoog. In de lobby lagen ze slap van het lachen.

De volgende ochtend wilde ik de Everglades gaan bezoeken. Het grote natuurpark bestaande uit moerassen en meren en vol met alligators, een soort krokodil maar dan anders. Maar mijn deinend monster had a flat, een lekke band dus. Ik belde Alamo, want ik kon geen reserveband vinden. Waar ik stond vroegen ze. Ik gaf de plek door en ging in de hotelhal wachten op de nieuwe, althans volle autoband.

Enige tijd later kwam een monteur in Alamo-outfit de hal in lopen. Hij keek rond, herkende een Europeaan, liep op mij toe en vroeg: ‘Mr. Fris, flat?’. Ik zei: ‘Yes, this morning I came……’. Hij drukte me een sleutel in de hand, en vroeg om mijn autosleutel. ‘Sorry?’, zei ik niet-begrijpend. Hij legde uit dat hij een andere auto voor mij voor de deur had staan, en dat de mijne opgetakeld op zijn vrachtwagentje meegenomen werd. ‘O’, zei ik. In plaats van een band kreeg ik een hele nieuwe auto. Deinde ook lekker. Volautomatisch naar de Everglades. Op weg naar Gator-country.


zaterdag 24 januari 2009

Te gast bij Salvador

We vertrekken zoals gewoonlijk rond tien uur en zijn een halfuurtje later in Le Boulou, in de Franse Pyreneeën. En om precies te zijn in een supermarché. Ik zal me die overweldigende hoeveelheid eten, huishoudelijke en andere consumptiegoederen later nog goed herinneren, als ik in een Spaans dorpswinkeltje op handen en voeten, blaffend hondenvoer probeer te kopen. Maar goed, het is vrijdag en ik sla uitbundig in om alle eventualiteiten van het komend weekend het hoofd te kunnen bieden.

Nu op weg naar het Teatro y Museo de Dali in het Spaanse Figueres. Het museum Salvador Dali is door en voor hemzelf in het voormalige Teatro Principal opgericht en ligt in het centrum van het verder saaie Figueres. Hij ligt er ook begraven. Het is een verbijsterend museum. Het begint al op het pleintje voor de hoofdingang. Een op het eerste Parijs plaatsje met terrasjes, parasolletjes en slanterende zomergasten. Beelden versieren de omgeving.

Een zittende Mozes-figuur staart van een pilaar somber naar beneden. Daar is ook alle reden toe, want de pilaar bestaat uit een stapel van acht vrachtautobanden. Een ander masculien heerschap kijkt heel wat vrolijker vanaf zijn toren van 20 televisietoestellen. En de meester kijkt liefdevol vanuit zijn muurornament naar Gala, zijn geliefde, iets verder op dezelfde muur.



Het is maar een eerste indruk, maar hij komt hard aan. Dezelfde consequent volgehouden gekte komt in het museum terug.
Een zeer overjarige Cadillac met linnen kap staat geparkeerd op de overdekte binnenplaats. In de auto vallen drie passagiers te ontdekken, die kennelijk een ritje aan het maken zijn. Plotseling gaat in de auto het licht aan en stroomt er een fris buitje vanaf het linnen dak de auto in. Nadere beschouwing leert dat het gezelschap reeds tot aan het middel in het water zit en de klimop vrolijk over hen heen groeit.

Het museum bestaat uit een binnenplaats waar omheen, als een hoefijzer, het gebouw is gebouwd. Dit feitelijke tentoonstellingsgebouw bestaat uit drie boven elkaar gelegen galerijen. Aan de open kant van het ijzer staat een vierkante hal waarvan de glazen koepel op hetzelfde niveau ligt als de hoogste galerij.

Al bij de ingang is het duwen. Dribbelende Japanse lopendeband-werkers, bleekkuitige Hollandse aannemers en mooie Spaanse kunststudenten tellen geld neer voor een ‘entrada’. En voort gaat het, wel eerst het fototoestel inleveren, langs de smachtende rode lippen van wijlen de seksbom Mae West (zie citaat rechterkolom) waar je op kan zitten, een naakte mica etalagepop achter het glas, koning Carlos, meer dan levensgroot gefotografeerd en 1,5 keer afgebeeld. En Gala geportretteerd in een opgeblazen en gerasterde weergave van Lincoln’s beroemde portret.
Een enkele Dali, laat staan in reproductie, riekt naar kitsch. Maar de consequente toepassing van surrealisme als kunstuiting in alles, de architectuur, meubilair, decoratie en kunstvoorwerpen, werkt zo overtuigend, dat stille bewondering overblijft. Geen hoekje in het gebouw, geen balk in de constructie, geen poot aan een bed is ontsnapt aan Dali’s behoefte er iets bijzonders, iets buitenissigs van te maken. Een ongetwijfeld antieke bronzen buste van een adellijk ogend heer, vindt zichzelf in miniatuur geschilderd terug op zijn voorhoofd. Ook elders op zijn gezicht zijn met olieverf kleine toevoegingen gedaan en een vrolijke hoed maakt het geheel compleet. Hij blikt onverstoorbaar naar de onderkant van de voeten van een Heilandfiguur die in een plafondschildering heilzame dingen staat te doen.



Vanuit dit museum naar de buitenwereld is een profane stap. De overgang wordt echter enigszins goedgemaakt door de aanblik van Dali’s huis, dat tegen de zijkant van het museum is aangebouwd. Het is bordeauxrood geschilderd en gipsen, gele pompoenen zijn met tientallen tegen de gevel gemetseld. Op de dakrand staat een tiental, metershoge eieren geflankeerd door zilverkleurige nimfen met de beide armen ten hemel gestrekt.


Mijn hond ligt, geheel in het ongewisse van zoveel opwindends in zijn directe omgeving, rustig te slapen in de camper.


donderdag 15 januari 2009

De kernploeg en ik

Nederland was schaatsgek de afgelopen weken. Iedereen die ooit op de gladde ijzers had gestaan, gespte ze onder en gleed, voor het eerst sinds 12 jaar, weer over natuurijs. En zij die nog nooit die ervaring hadden, werden ook aangestoken door het schaatsvirus. Net geboren of geïmporteerd, alles moest en zou schaatsen. En dan stuurt de Lieve Heer wat wonderlijke creaties het ijs op. Uitgevoerd in een paars, fluwelen fantasiepak afgerond met een roze, gebreide puntmuts of een Tiroler drollenvanger, grijsgroen leren jas en een deukhoedje met parmantig veertje. Gillend van het lachen gooien we nog een paar asielzoekers het ijs op, die ter plekke dood blijven, maar beweren dat ze graag één willen zijn met de Nederlander en alles ontzettend leuk vinden. Maar wel een beetje koud. Hartstikke koud eigenlijk. Wie bedenkt zoiets, zie je ze denken.

We zijn een wonderlijk volk. Op het ijs zijn we één passie. Nou ja, we? Ik niet dus. Ik schaats niet zo best en profileer me als een fotograferende observator. Ik heb wel leren schaatsen maar nooit tot in de finesses. Het was meer klunen op het ijs. Had moeite met het zwaartepunt. Neigde altijd wat teveel naar voren en moest dus hard krabbelend overeind zien te blijven. Dat lukte wel maar het kostte driemaal zoveel energie als die nonchalant zwierende medeschaatsers.

Toen de tijd daarvoor rijp was had ik van mijn ouders ter gelegenheid van mijn verjaardag die midden in de winter valt, een paar schaatsen cadeau gekregen. De verkregen schaatsen hielden het midden tussen Noren en hockeyschaatsen. De schoen en het ijzer waren van de Noren, maar de lengte van het ijzer en de hoogte van de schaats was die van een hockeyschaats. En daarop leerde ik schaatsen. Met grote moeite.
Elke zaterdag gingen we naar de Jaap Edenbaan om onze rondjes te trekken. Ik was een jaar of zestien en mijn jongste zus een paar jaar ouder. Zij leverde onze schaatsvrienden. Ze had een groot, gemêleerd en, zeker voor een zestienjarige, zeer interessant netwerk. De deelnemers waren enerzijds afkomstig van het interkerkelijk jeugdkoor, waarin zus als sopraan tijdens zondaagse diensten haar vocale bijdrage leverde en anderzijds uit leerlingen van de Rietveldacademie, waaraan zij studeerde als aanstormend modeontwerpster.

Dat was een originele combinatie. De wat steile, gelovige jongeren samen met de, laten we zeggen, wat lossere creatievelingen. De dames van Rietveld droegen tijdens het schaatsen eigen creaties, maar de grap was dat de enige Rietveld-heer in dit gezelschap ook opkwam in een eigen ontwerp. Hij schaatste op bruine kunstschaatsen en droeg een werkelijk beeldig bruin capeje, afgezet met een iets donkerder getinte band. Hij zwierde daar heerlijk mee rond en trok zich niets aan van al die in donkere schaatspakken gestoken krachtpatsers die telkens voor bijflitsten. De jongens van het koor keken wat onthutst. Ik was er al wat aan gewend, want hij kwam ook bij ons thuis. Mijn gereformeerde vader kon onbedaarlijk met hem lachen. De jongens van het koor vonden het minder. ‘De stemming stijgt en het peil daalt’, zei er één misprijzend.

Onderwijl kluunde ik door. Korte slagen makend want de ijzers stonden langere slagen niet toe. Plots werd ik ingehaald door één van die zwarte pakken. De ijzers beten zich bij het remmen sissend vast in het ijs. ‘Ha, Cees’. ‘Ha’, zei ik. Ik had geen idee wie het was. Het was iemand van de kernploeg, zoals dat toen heette. Zwart wollen pak met aan het boord en op het hoofddeksel het rood-wit-blauw van onze nationale vlag. Eén van Neerlands beste rijders dus. En die zei: ‘Ha Cees’. Ik keek nog eens goed. Het was een vrouw. En nu zag ik het, we hadden samen in een klas gezeten van de HBS aan de Nobelweg. Ik kende haar nauwelijks maar zij mij wel dus. En wij schaatsten en kletsten. En dat ging maar door. Zij met die lange grote slagen en ik, de man van het gezelschap, met korte tikken op het ijs hijgend niets laten merken. Ronde, na ronde. Vele minuten later zei ze, ‘Nou ik ga maar weer eens. Leuk je gesproken te hebben’. Ik was het daar van harte mee eens. Met twee klappen van haar schaatsen verdween ze uit zicht. Ik zeeg neer op een bankje aan de kant en probeerde mijn ademhaling weer in het gareel te krijgen.
















zaterdag 10 januari 2009

Zingen bij Karen

Ze noemde zich Karen Blixen, voluit Karen barones von Blixen Finecke. Ze was Deense en heette eigenlijk Karen Dinesen. Het von Blixen was van haar neef die tevens haar overspelige echtgenoot was. Ook toen ze gescheiden waren bleef ze de naam Blixen gebruiken. Met die naam was ze bekend in Kenia, waar ze eerst met haar man en later alleen een koffieplantage runde. Een alleenstaande vrouw die aan het begin van de vorige eeuw in Afrika een koffieplantage runde was een unicum. Minder uniek was het feit dat ze er een minnaar op na hield. In Afrika was dat usance. Haar bijzit heette Denys Finch Hatton; een jager van zeer goede komaf die safari’s organiseerde voor rijke klanten zoals de prince of Wales. Ze kenden elkaar al voordat Karen gescheiden was en hij trok na de echtscheiding bij haar in.




Het liep allemaal nogal dramatisch af. De koffieoogsten mislukten, de beurs crashte in 1929 met wereldwijd dalende koffieprijzen als gevolg en haar schulden liepen hoog op. Ze was gedwongen om de plantage te verkopen en keerde terug naar Denemarken. Net nadat de plantage was verkocht, kreeg Karen het bericht dat Denys was omgekomen bij een vliegtuigongeluk. Zijn toestel was bij Nairobi neergestort.

Over haar verblijf in Kenia schreef ze onder haar auteursnaam Isak Dinesen een boek met de titel ‘Den afrikanske Farm’. Dit boek maakte haar wereldberoemd. In Nederland kwam het uit onder de titel ‘Een lied van Afrika’. In 1985 verfilmde Sydney Pollack dit boek. Deze zwaar geromantiseerde versie kreeg de titel ‘Out of Africa’. Meryl Streep speelde Karen Blixen en Robert Redford, Denys Finch-Hatton. De film werd overladen met prijzen waaronder zeven Oscars.

Ik was de dag ervoor in Nairobi aangekomen. Het was al laat en donker op de trap waarover ik mijn koffer naar boven sleepte. Slechts af en toe floepte er een lichtje aan dat alleen de traptreden verlichtte. Op een overloop stond een mooi donker beeld van een inboorling gekleed in, wat mij leek, een krijgstenue. Het heldere oogwit schitterde uit het donkere hout. Het zal wel esse-hout zijn, schatte ik. ‘Good evening, sir’, zei het beeld met een mooie donkere bas. Ik schrok me wild. Het beeld was springlevend al stond het doodstil. Ik mompelde geschrokken wat bezweringen en spoedde me naar mijn kamer. Toen ik me de volgende dag naar het ontbijt begaf stond de man daar nog steeds en groette me vriendelijk.

Mo stond me al op te wachten met zijn taxi. Hij had me gisteren van het vliegveld gehaald en we hadden afgesproken dat we vandaag naar de Ngong-hills zouden gaan, een voorstad van Nairobi. Daar lagen de plantages van de Blixens en werd de boerderij, ingericht met de originele meubels, nog steeds in ere gehouden. Mo reed mij de hele dag rond voor het equivalent van €10,-. Toen ik hem vroeg of hij zich niet wild ergerde aan die blanken met hun buidels met geld, zei hij: ‘You are whities’, en trok daarbij een gezicht alsof we van een andere planeet kwamen. Heeft hij geen donder mee te maken. Hij sneerde op de Masaï, ‘dragen niet eens een onderbroek’, op de Somaliërs en de Kikuyu. Maar blanken? Niks mee te maken.

De boerderij lag tussen de bomen op een heuvel. Voor de boerderij strekte zich een perfect onderhouden grasveld uit dat langzaam glooiend naar beneden liep. In de boerderij kon je een paar kamers bekijken. Ze waren niet groot en stonden vol met Afrikaanse prullaria. Het zag er allemaal wat burgerlijk uit; niets voor een grande dame met een jagende minnaar die een koffieplantage runde. Niets voor barones von Blixen. Meer iets voor de schrijfster Isak Dinesen.

Ik liep naar buiten. Mo wachtte. Hij zou me naar een dierenpark in buurt brengen. Het was doodstil en lekker warm. Een prachtig aangelegd parkje. Je rook de grond. Ik besloot een beetje rond te slenteren. Even te genieten van deze goed onderhouden natuur. Geen blaadje lag op de rode aarde. Geen takje versperde de weg.

Uit de verte kwam heel zacht het geluid van zingende stemmen. Ik besloot te gaan kijken. Op een afstandje, achter de struiken. Om ze niet te laten schrikken, zodat ze zouden stoppen. Ik liep dichterbij en zag 8 à 10 jonge mannen en vrouwen in hun zondagse zwart-witte goed in een kring staan. Ze zongen uit volle borst. Zoals alleen zij dat kunnen. Ze klapten in hun handen en bewogen hun bovenlichaam ritmisch naar voren en naar achteren. Close harmony. A cappella. Zo moeilijk, zo mooi. Zoooo mooi.

Het was een Afrikaans lied. Ze zongen tegen elkaar in. Alsof ze elkaar iets vertelden. Herinneringen ophaalden. Eén had de lead, een vrouw. Zij zong vol overtuiging telkens dezelfde strofe. De bassen vielen dan in en deden er nog een schepje bovenop. Dan mengden ook de hoge stemmen zich met de rest. Zo moeilijk, zo mooi. Die mooie galmende stemmen, die elk hun eigen melodie zingen, in harmonie met elkaar, swingend en toch intiem, bijna kuis. Zo moeilijk, zo mooi.

Ik sloop langs hetzelfde pad weer terug. Op mijn tenen. Het gezang werd zachter. Mo lag op de voorbank een sigaretje te roken. ‘Bent u nu al terug?’ 'Ja Mo, ga jij nou maar rijden.'



vrijdag 2 januari 2009

Bommen op Parijs

We slenterden over de Place du Tertre, Montmartre in Parijs. Het was lente en de bomen stonden met hun nieuwe bladeren te pronken. Er waren maar een paar kunstschilders vandaag. Ze probeerden hun kitscherige schilderijtjes, die ze op schildersezels tentoonstelden om het echter te doen lijken, te slijten. Wij waren ook niet geïnteresseerd en liepen via de Rue Azaïs door naar de Basilique de Sacré Coeur. Ik wilde mijn reisgenoten wat bijzonders laten zien. Het hing in de Sakkre Kur, zoals Nederlanders het bouwwerk meestal betitelen; bij binnenkomst via de hoofdingang links om de hoek aan een pilaar. Een plaquette met daarop gebeiteld de geschiedenis van een onwaarschijnlijke gebeurtenis.

In de nacht van 20 op 21 april 1944 gooide een bommenwerper 13 bommen op de Basiliek. Het waren de laatste stuiptrekkingen van de oorlog. Drie maanden later zou De Gaulle zijn triomfale intocht houden op de Champs d’Elysees. Maar in deze april-nacht probeerde een dolgedraaide Duitser nog even een monument te verpletteren. Een kerk die gebouwd was om de slachtoffers van een andere Duits-Franse oorlog te gedenken. Maar hij miste. Op de plaquette heeft men nauwkerig aangegeven waar de bommen vielen. In een rechte lijn, schuin over de trap, rechts langs het gebouw en dan door een smal straatje. Geen mens werd geraakt en de basiliek en de nabijgelegen huizen waren alleen wat, al dan niet glas-in-loden ramen kwijt. Op de plaquette wordt Jezus dan ook hartelijk bedankt voor zijn ingrijpen. Of was er iets anders gebeurd?




Toen ik thuis kwam ben ik eens op zoek gegaan naar wat zich werkelijk die nacht had afgespeeld boven Montmartre. Ik sla mijn biografieën van Hitler er eens op na. Noch John Toland, noch Ian Kershaw maken melding van enige militaire activiteit boven Parijs. En ook Churchill laat het in zijn ‘De tweede wereldoorlog’ afweten. Laten de oude media mij in de steek, misschien leveren de nieuwe media mij meer informatie. Op naar het wereld-wijde web. Ik typ ’20-21 april 1944’ in en ‘Parijs’. Mondjesmaat komt er informatie. Maar uit zeer onverwachte hoek.


Op ‘Umbrella blog’ maakt iemand melding van een bombardement op Parijs die nacht, waarbij 670 burgers zouden zijn gestorven. Hij heeft het over een ‘allied bombings’ op Paris-La Chapelle. La Chapelle is een Parijse wijk en ligt op 10 minuten lopen van Montmartre. ‘Allied bombings’? Bombardementen door de geallieerden? Dat is stug. Waarom zouden die nou de Sacre Coeur willen platgooien? Ik kijk op Google maps en zie dat in die wijk een heel spooremplacement ligt. Zullen ze dat hebben willen platleggen en was één bommenwerper de weg kwijt? Op zag hij een basiliek voor een trein aan en besefte hij op het laatste moment zijn fout?


Ik vind de ‘Umbrella blog’niet echt een betrouwbare bron voor historische documenten en zoek nog even verder. En zo kom ik terecht bij ‘RAF History – Bomber Command 60th Anniversery. Campaign Diary, April 1944’. Ik kopieer even wat ik lees bij 20/21 April 1944.


A raid on railway yards at La Chapelle just north of Paris was the first major test for the new No 5 Group marking method, with the group employing not only No 617 Squadron's low-level markers but the three Pathfinder squadrons recently transferred from No 8 Group. A few regular No 8 Group Mosquitos were also used to drop markers by Oboe to provide a first indication of the target's location for the main No 5 Group marking force. 247 Lancasters of No 5 Group and 22 Mosquitos from 5 and 8 Groups dispatched. 6 Lancasters lost. The bombing force was split into two parts, with an interval between them of 1 hour, and each part of the force aimed at different halves of the railway yards. There were a few difficulties at the opening of the attack, with the markers of the Oboe Mosquitos being a fraction late and with communications between the various controlling aircraft being faulty, but these difficulties were soon overcome and both parts of the bombing force achieved extremely accurate and concentrated bombing”.

"...achieved extremely accurate and concentrated bombing’. Precies door het nauwe straatje. Lijkt me sterk dat dat de bedoeling was. Laten we er maar van uitgaan dat het bombardement op de Sacre Coeur het gevolg was van de beschreven miscommunicatie in de aanloop van het bombardement.


Het was dus de RAF. Zeshonderdzeventig Fransen dood en bijna de Sacré Coeur naar de knoppen. Ik kijk nog eens naar de plaquette. En dan valt het me pas op. Er staat met geen woord vermeld over wie verantwoordelijk was voor de bommen. Geen enkel verwijt, alleen dank voor de goede afloop.