donderdag 15 januari 2009

De kernploeg en ik

Nederland was schaatsgek de afgelopen weken. Iedereen die ooit op de gladde ijzers had gestaan, gespte ze onder en gleed, voor het eerst sinds 12 jaar, weer over natuurijs. En zij die nog nooit die ervaring hadden, werden ook aangestoken door het schaatsvirus. Net geboren of geïmporteerd, alles moest en zou schaatsen. En dan stuurt de Lieve Heer wat wonderlijke creaties het ijs op. Uitgevoerd in een paars, fluwelen fantasiepak afgerond met een roze, gebreide puntmuts of een Tiroler drollenvanger, grijsgroen leren jas en een deukhoedje met parmantig veertje. Gillend van het lachen gooien we nog een paar asielzoekers het ijs op, die ter plekke dood blijven, maar beweren dat ze graag één willen zijn met de Nederlander en alles ontzettend leuk vinden. Maar wel een beetje koud. Hartstikke koud eigenlijk. Wie bedenkt zoiets, zie je ze denken.

We zijn een wonderlijk volk. Op het ijs zijn we één passie. Nou ja, we? Ik niet dus. Ik schaats niet zo best en profileer me als een fotograferende observator. Ik heb wel leren schaatsen maar nooit tot in de finesses. Het was meer klunen op het ijs. Had moeite met het zwaartepunt. Neigde altijd wat teveel naar voren en moest dus hard krabbelend overeind zien te blijven. Dat lukte wel maar het kostte driemaal zoveel energie als die nonchalant zwierende medeschaatsers.

Toen de tijd daarvoor rijp was had ik van mijn ouders ter gelegenheid van mijn verjaardag die midden in de winter valt, een paar schaatsen cadeau gekregen. De verkregen schaatsen hielden het midden tussen Noren en hockeyschaatsen. De schoen en het ijzer waren van de Noren, maar de lengte van het ijzer en de hoogte van de schaats was die van een hockeyschaats. En daarop leerde ik schaatsen. Met grote moeite.
Elke zaterdag gingen we naar de Jaap Edenbaan om onze rondjes te trekken. Ik was een jaar of zestien en mijn jongste zus een paar jaar ouder. Zij leverde onze schaatsvrienden. Ze had een groot, gemêleerd en, zeker voor een zestienjarige, zeer interessant netwerk. De deelnemers waren enerzijds afkomstig van het interkerkelijk jeugdkoor, waarin zus als sopraan tijdens zondaagse diensten haar vocale bijdrage leverde en anderzijds uit leerlingen van de Rietveldacademie, waaraan zij studeerde als aanstormend modeontwerpster.

Dat was een originele combinatie. De wat steile, gelovige jongeren samen met de, laten we zeggen, wat lossere creatievelingen. De dames van Rietveld droegen tijdens het schaatsen eigen creaties, maar de grap was dat de enige Rietveld-heer in dit gezelschap ook opkwam in een eigen ontwerp. Hij schaatste op bruine kunstschaatsen en droeg een werkelijk beeldig bruin capeje, afgezet met een iets donkerder getinte band. Hij zwierde daar heerlijk mee rond en trok zich niets aan van al die in donkere schaatspakken gestoken krachtpatsers die telkens voor bijflitsten. De jongens van het koor keken wat onthutst. Ik was er al wat aan gewend, want hij kwam ook bij ons thuis. Mijn gereformeerde vader kon onbedaarlijk met hem lachen. De jongens van het koor vonden het minder. ‘De stemming stijgt en het peil daalt’, zei er één misprijzend.

Onderwijl kluunde ik door. Korte slagen makend want de ijzers stonden langere slagen niet toe. Plots werd ik ingehaald door één van die zwarte pakken. De ijzers beten zich bij het remmen sissend vast in het ijs. ‘Ha, Cees’. ‘Ha’, zei ik. Ik had geen idee wie het was. Het was iemand van de kernploeg, zoals dat toen heette. Zwart wollen pak met aan het boord en op het hoofddeksel het rood-wit-blauw van onze nationale vlag. Eén van Neerlands beste rijders dus. En die zei: ‘Ha Cees’. Ik keek nog eens goed. Het was een vrouw. En nu zag ik het, we hadden samen in een klas gezeten van de HBS aan de Nobelweg. Ik kende haar nauwelijks maar zij mij wel dus. En wij schaatsten en kletsten. En dat ging maar door. Zij met die lange grote slagen en ik, de man van het gezelschap, met korte tikken op het ijs hijgend niets laten merken. Ronde, na ronde. Vele minuten later zei ze, ‘Nou ik ga maar weer eens. Leuk je gesproken te hebben’. Ik was het daar van harte mee eens. Met twee klappen van haar schaatsen verdween ze uit zicht. Ik zeeg neer op een bankje aan de kant en probeerde mijn ademhaling weer in het gareel te krijgen.
















Geen opmerkingen: