vrijdag 29 mei 2009

Black power in Chicago

Het zal 1973 geweest zijn. Of nee, eerder. Het was vrij kort na de beruchte gebeurtenissen in 1968. Op 4 april was in Memphis Marten Luther King vermoord en twee maanden later schoot een gestoorde Palestijn Robert Kennedy dood. De Vietnam-oorlog was op zijn hoogtepunt. Een golf van frustratie en woede ging door zwart Amerika. De Black Power beweging gaf uiting aan die gevoelens. De twee zwarte, Amerikaanse atleten Tommie Smith en John Carlos balden hun gehandschoende vuist bij de medaille-uitreiking bij de Olympische Zomerspelen 1968 in Mexico-stad. Een ongekend onpatriottische protestactie. Het waren grimmige tijden in de VS.



Rond die tijd, zeg 1969, 1970, ik weet het niet precies meer, ging ik voor het eerst mijn zus bezoeken die jaren eerder was neergestreken in Chicago. In Nederland was geen Black Power beweging. Bij ons in Europa waren nog restjes zichtbaar van die andere power-club; Flower Power. Ook bij mij waren daarvan restjes zichtbaar. Ik had een enorme bos krullend haar en droeg een kledingstuk dat geschikt was om proletarisch mee te winkelen.

Ik denk dat ik even wat moet uitleggen. Proletarisch winkelen is wat men tegenwoordig noemt winkeldiefstal, maar werd toen gezien als een act van sociale bewogenheid. Je jatte van het gehate kapitalisme of zo. Het kledingstuk was een legergroene officiersjas. De jaszakken waren zowel van binnen als van buiten te bereiken, zodat je, als je je jas over het gewenste levensmiddel heen legde, je van buiten door de jas heen het artikel kon pakken en in je jaszak deponeren, zonder dat het van buitenaf zichtbaar was. Ik heb het nooit gedaan. Misschien was ik niet sociaal bewogen genoeg of was ik gewoon te schijterig.

In deze outfit kwam ik aan op O’Hare International Airport. Mijn zus haalde me op en we vertrokken naar haar torenflat. Voor de flat stond een heel leger aan politieauto’s met blauwe en gele alarmlichten in volle werking. Even dacht ik dat het ter mijne ere was maar dat bleek al snel niet het geval. Voor humor hadden ze hier geen tijd. Ook op de etage waar mijn zus en echtgenoot een appartement hadden, was het een drukte van belang. Bij de buren liep de politie in en uit. Er waren duidelijk problemen. Mensen stonden op de gang te kijken. Zus en zwaag deden of het de normaalste gang van zaken was en begeleidden mij hun woning in. Daar vertelden ze mij dat de buurman, een manager bij Holiday Inn, zijn vrouw aan het bed had geketend, toen ze ontdekt had dat hij een bijzit had. Daarna had hij de deur achter zich dichtgetrokken en was aan het werk gegaan. De bedrogen echtgenote had de aandacht van passanten op de gang weten te trekken en de politie was met man en macht uitgerukt.


‘Welcome in Chicago, city of Al Capone’, klonk het in mijn hoofd. Ik kwam uit Amsterdam, maar dat was toch meer de stad van vrije seksuele moraal, provo en het Lieverdje (een beeldje op het Spui waar magische bijeenkomsten werden gehouden). Met handboeien aan bed ketenen had ik nog niet veel van doen gehad. Maar de zou nog meer komen. Dit was grimmig Amerika.

Mijn zus vertelde dat er veel ‘hold ups’ waren en dat omstanders er wel voor waakten daarbij betrokken te raken, bang voor een mes tussen de ribben of erger. Men had er wat op gevonden. De politie had fluitjes uitgedeeld, van die scheidsrechter-dingen, en als er dan weer een overval was, kon iedereen de aandacht daarop vestigen door er op te blazen. Dit leek mij nu een alleraardigste politionele actie. Ik had het graag willen meemaken. Keurige mannen in pak met aktetas, vrouwen met tassen vol boodschappen, collegestudenten op weg naar huis; allen stonden zij keurig op een fluitje te blazen. Er was weer eens een hold up.


Ik heb het niet meegemaakt. Maar wel de sfeer geproefd. En die was uitermate agressief. Op elke hoek stond een agent met helm, spiegelende zonnebril, paardrijbroek en laarzen met zijn vinger op de trekker van zijn geweer, ik ben geen kenner, misschien was het wel een mitrailleur. Ik dorst het niet te vragen. ‘Officer, sir, what’s that?’ Bang als ik was dat alle omstanders op hun fluitjes gingen blazen.

Op een middag ging ik alleen op stap. Ik wou wat cadeautjes kopen voor mijn gastheren en daar had ik geen pottenkijkers bij nodig. In de metro kwam ik te zitten tegenover twee uiterst nors kijkende zwarte medemensen van het mannelijk kunne in de kracht van hun leven, om het maar eens politiek correct te zeggen. Ik zat gewoon te zitten; zij zaten mij gewoon weg te kijken. De situatie had iets bedreigends. Niet alleen die mannen, maar ook die graffiti die op die tientallen metrostellen om mij heen geschilderd waren. Ik kende dat niet. Dat staatseigendom door het proletariaat zo beklad werd. Dit was totale anarchie. Let wel, Keith Haring moest nog komen.

Ik ging naar de Bijenkorf van Chicago. Daar was de keuze aan cadeaus gevarieerd leek mij. Ik kocht wat pop-art spelletjes en andere frutsels en zocht de WC op om wat aller-noodzakelijkst te doen. Toen ik zat, bleek dat men tussen de deur en de wand een ruime kier had opengehouden. En daar stond nu iemand, een man veronderstel ik, ik was immers op het mannentoilet, door heen te loeren. Heel openlijk. Ik denk dat hij mijn bos krulhaar aantrekkelijk vond, maar ik kneep de billen samen. Mijn missie kon dus moeilijk vervuld worden. Ik stond op en trok mijn broek omhoog.

Ik liep naar de wasbak en waste mijn handen. In de spiegel werd mijn blik getrokken door een jonge man die mij nadrukkelijk stond aan te kijken. Hij was hevig aan het masturberen en probeerde mijn blik vast te houden Ik had het wel gezien in deze WC. Ik was wel wat gewend uit het Amsterdam van de zestiger jaren. Maar deze zaken had ik toch echt niet eerder meegemaakt. Ik daalde af met de roltrap en liep naar de uitgang. Maar voor dat ik de draaideur in kon schieten hield een donkere man mij tegen. ‘Cigarette’, zei hij. Geen ‘please’, geen ‘do you have’, alleen maar ‘Cigarette’. Ik ging op zoek naar mijn Caballero’s. Ik gaf hem er één en wilde er ook één voor mijzelf pakken. ‘Light’, zei hij. Ik begreep dat hier een machtsspelletje werd gespeeld. De zwarte die een blanke commandeert. Het was 1970. Ik heb niet zoveel met dat soort spelletjes en gaf hem een vuurtje.Ik kwam behouden aan bij mijn zus en vertelde niets over mijn wederwaardigheden. Ik vond het een volstrekt mesjogge maatschappij.

Ruim twintig jaar later was ik opnieuw in Chicago. Ik nam de gelegenheid te baat om mijn ervaringen van toen eens aan het heden te toetsen. Het Chicago van 1970 was weg. Geen spoor van te bekennen. Dit was een heerlijke, relaxte, zonnige, vrolijke stad waar de jazz uit de cafés tetterde, gespeeld door vrolijke negers die naar je lachten en je swingspieren aan de gang zetten. Hier waren prachtige gebouwen en moderne winkels. Dit was de stad waar Oprah woonde en haar show opnam en waar Obama Barack zich zou ontwikkelen tot president van de VS. Er kan veel gebeuren in ruim 20 jaar.

zaterdag 23 mei 2009

Drie kleine ergernissen

Zeist

Ik sta boven aan de trap. Ik heb een fles allesreiniger van de AH in mijn hand die naar beneden moet. Maar ik heb geen zin om ook naar beneden te gaan want ik moet boven zijn. Dus besluit ik dat de fles alleen van de trap moet. Maar met beleid. Niet met een knal naar beneden maar langzaam glijdend. Heel nauwkeurig gedoseerd. Zodat de fles niet open springt en leegstroomt in de hal, maar met een sierlijke duik naar beneden zeilt. Ik leg hem op de bovenste tree en geef hem een zetje. Hij glijdt wup wup twee treden naar beneden en blijft dan liggen. Ik loop een tree naar beneden en duw hem met een voet weer aan de gang. De fles doet wup wup………………wup en nestelt zich in alle rust dwars op een volgende tree. Zou hij hoogtevrees hebben?


Ik word een beetje giftig. De trap telt 19 treden en zo duurt het tot de lente. We zijn nog maar vijf treden opgeschoten. Ik loop drie treden naar beneden en geef de fles allesreiniger van de AH een harde maar nog steeds beheerste trap. Wupperdewup …………………… …… de wup doet de fles. En ligt weer onbewegelijk. We zijn halverwege de trap. Nu is mijn geduld op. Ik daal verder af en geef hem een knal. Rot op. De fles vliegt naar beneden en ontploft in de hal. Ik sjouw verslagen de treden af en pak een emmer met water. Wat zal de hal schoon worden.

La Rochelle

Het weer is somber en koud, kortom droevig. Net zo droevig als de kip die ik gistermiddag at. Het is een van mijn lievelingsgerechten als ik in Frankrijk ben. Franse boeren hadden vroeger een jus-achtige soep op het fornuis staan die nooit weggegooid werd en waar alleen maar ingrediënten aan toegevoegd werden om de gebruikte jus te vervangen, ze noemden dat de pot eternal geloof ik. De kip die ik in een wegrestaurant aangeboden kreeg had ook dagenlang in een eeuwige jus rondgehangen. Het van het vocht doordrongen vlees kon zo van het bot gezogen worden. Een soort Franse truckers-bal zeg maar. Niet fris, wel lekker. Maar deze kip was niet op z’n eentje oud geworden; maar samen met wat pruimen, wortels en hele reeksen andere ondefinieerbare gruchten. En om het feest compleet te maken werden ze op een berg rijst/griesmeel/weetikveel gedonderd. Niet te eten. Heb ik voor het goede fatsoen toch maar deels gedaan.

Deba

Ik kijk vanaf mijn hotelkamer op de eerste verdieping zo in de ogen van een hond die op het dakterras ligt van een huis aan de andere kant van de straat. Het is een ruwharige blonde hond, die zijn beste dagen heeft gehad. Soms staat de hond op loopt naar de deur, kijkt verwachtingsvol, loopt weer terug met een wat onzekere gang, een beetje neiging in rondjes te lopen maar hij heeft voldoende ruimte. En dan gaat hij weer liggen. Slechts 1 keer is er een man naar buiten gekomen om de hond eten te geven. Wat denk je hond? Wat denk je? ‘Rotzak waarom mag ik niet naar binnen? Ik kan ook heel rustig naast je bank liggen’. Maar je blaft geen enkele keer. Je kijkt alleen. Is je baas ziek en is het enige wat hij voor je kan doen eten geven? En heb je daar begrip voor? Wat denk je hond? Of herinner je je de bazin? Die net is overleden. En waar de baas om treurt. En jij ook. Kunnen jullie dan niet beter samen treuren, dan hier op het dak te liggen? Herinner je je betere tijden? Dat je een mooie glanzende vacht had? De trots van je bazin? Dat je de vrouwtjes versierde? Naar het strand ging? En rende. Ballen apporteerde en stokken doormidden beet? En nu lig je, oud geworden, de hele dag te wachten tot je de trap af mag en even aan een boom mag ruiken. Het wordt donker. Ja hond, meer zit er niet in vandaag. Tot morgen. Weer zo’n dag.

Kust bij Deba, Spanje




zaterdag 16 mei 2009

Een heilige tussen de hoeren

Ik had een afspraak om 13.00 uur op de Piazza Navona in Rome. Ik zou daar vrienden ontmoeten en met ze lunchen op een van de vele terrasjes. Het was nu 12.45 uur dus ik moest flink doorstappen.

Ik stapte uit de bus op de Corso Vittorio Emanuele II, snelwandelde door de smalle steegjes, struikelde over de alom tegenwoordige Japannertjes, of waren het Chineesjes, je weet dat tegenwoordig niet meer, bukte voor een laagvliegende duif en bereikte ruim op het tijd de middelste fontein, waar we afgesproken hadden. De fontein was in de verbouw dus veel was er niet te zien.


Ik kende het immens oude plein redelijk goed. Ik was daar een paar keer eerder geweest. Ooit was het een atletiekbaan, het circus Agonalis of circus Domitianus , die in de eerste eeuw na Christus was aangelegd. Anno 2009 is het het centrale plein van Rome, met drie fonteinen, een basiliek, hotels en restaurants, kraampjes, artiesten, kunstenaars en levende beelden.

De middelste van de drie fonteinen heeft een imposante naam: La Fontana dei Quattro Fiumi’, ‘de fontein van de vier stromen (of rivieren)’. De fontein is gemaakt van travertijn, een soort marmer maar dan weer net niet. Centraal staat een obelisk met daarop een duif, niet die van daarnet maar een van travertijn, met een olijftak in de bek. Het symbool van de regerende paus. Hier omheen zijn vier reuzen gebeeldhouwd die staan voor de destijds als grootste bekend staande rivieren: De Rio de la Plata, de Donau, de Ganges en de Nijl. Het beeld is een schepping van Gianlorenzo Bernini, die ook verantwoordelijk was voor de creatie van het St. Pietersplein en nog heel veel meer. Bernini bepaalt nog steeds het architectonische uiterlijk van Rome.

De paus vond het destijds noodzakelijk dat er op de Piazza Navona een fontein kwam en had een wedstrijd uitgeschreven. Bernini had die wedstrijd nipt gewonnen van zijn grote concurrent Francesco Borromini. Nu wil het toeval dat de fontein recht tegenover de basiliek ‘Sant’Agnese in Agone’, een ontwerp van Borromini, staat. Het verhaal gaat nu dat Bernini in zijn fontein een aantal verwijzingen naar de schepping van zijn concurrent heeft gedaan. Zo zou de reus van de Rio de la Plata wegduiken en met afwerende arm naar deze kerk wijzen als verbeelding van Bernini’s angst dat de kerk in zou storten.




Helaas is dat een broodje aap, want de basiliek was nog niet eens op de ontwerptafel toen de fontein al gereed was. Ik keek naar de stellages en de gezichten van de teleurgestelde toeristen die de halve wereld waren overgevlogen om hier tegen een paar doeken aan te kijken. Ik ging zitten op een bankje en bedacht wat zich hier allemaal heeft afgespeeld. Atletiekspelen, gladiatorspelen en nepzeeslagen. Alles was over dit plein heen gegaan.


Zo zou de Sant’Agnese in Agone gebouwd zijn op de plaats van een bordeel. In dit bordeel zou een zekere Agnes tentoongesteld zijn, nadat zij geweigerd had om iets te beginnen met de zoon van de prefect. Deze werd daarop zo boos dat hij Agnes in het bordeel liet werpen en haar uit liet kleden. Toen ze naakt aan het volk werd getoond, groeide haar haar zo snel, dat het haar kuisheid geheel bedekte. Hallo ben je daar nog? Zie je het voor je? Dat wil je toch helemaal niet weten. Een halve apin als heilige.

Daarna werd zij op de brandstapel gegooid, want ze moesten toch wat, maar de vlammen waaierden uit naar de toeschouwers en Agnes bleef ongedeerd; niet om aan te zien maar wel ongedeerd. Na nog een paar van dit soort voorvallen heeft de prefect haar uiteindelijk maar met een zwaard laten onthoofden. Haar schedel is nog steeds te zien in de kerk. En de toeristen stroomden toe.

Vlak voor mij lopen mijn vrienden niets vermoedend langs. Zij zijn precies op tijd. Het is één uur. Ik sta op en loop ze achter na. Zij draaien zich lachend om. Mij hadden ze allang gezien.

zondag 10 mei 2009

In de hoofdrol

Als een echte formule 1 coureur scheurde de Braziliaanse taxichauffeur door een drukke buitenwijk van São Paulo. ‘Are you Ayrton Senna?’, brulde ik naar de voorbank. Hij lachte een daverende lach en keek om. Ik beduidde hem dat hij beter zijn ogen op de weg kon houden. Veel opgebroken wegdelen maakten het een en ander nogal onoverzichtelijk. Hij had me net opgepikt op de luchthaven en we waren nu onderweg naar het hotel in het centrum; een stief uurtje rijden, want São is groot, heel groot.


Senna slalomde tussen voetgangers op een zebrapad, omzeilde een omgevallen kranten-automaat en parkeerde keurig achteruit in voor het Normandie design-hotel waar mijn reisbureau mij had ondergebracht. Ik betaalde, pakte mijn koffer en liep de hal in. Daar was het een drukte van belang. Er liepen drukdoende mensen rond en er stond een professionele camera en een batterij filmlampen. Mij werd duidelijk gemaakt dat ik vooral door moest lopen naar de balie en moest inchecken alsof ik de enige in de hal was.

Ik liep dus naar de receptie, vertelde dat er gereserveerd was onder de naam Santer en ging op zoek naar mijn pas. Een camera zocht van enige afstand met mij mee. Er werd gesist om stilte, want deze spannende scene vroeg natuurlijk om dreigende muziek en niet om babbelende figuranten in de lounge naast de ontvangsthal. Ik kon mijn pas niet vinden. Dat overkomt mij vaker, vooral als ik binnen een betrekkelijk kort tijdsbestek de pas meermalen nodig heb en ik ook nog een aantal andere dingen te versjouwen heb. Ik stop hem in mijn mond, mijn achterzak, mijn jaszak, mijn binnenzak, mijn rugzak of leg hem even naast me neer, met alle gevolgen van dien.

Ik liep dus alle zakken af en de camera keek hijgend mee. Ook de receptionist moedigde me enthousiast aan hopend op een extra lang shot. Ik was een beetje beduusd. Ik rolde net het vliegtuig, overleefde een kamikaze-piloot en was opeens hoofdrolspeler in een film. Om me heen liepen zo’n 40 mensen rond, inclusief zo’n 25 figuranten die zo te zien van een dure universiteit waren geplukt. Allemaal goed gekleed, allemaal in een geperste zwarte outfit met witte accenten en allemaal stonden ze met een glas champagne in de hand te wachten tot die klunzige Europeaan zijn pas had gevonden.


Ik kon niet bedenken in wat voor scene ik terecht was gekomen. Wel waar mijn pas terecht was gekomen; in mijn rugzak naast mijn portefeuille in een diefstalveilig zakje. Daar was diep over nagedacht, maar ook snel weer vergeten. Ik overhandigde het document aan de stralende receptionist die weer een shot zeker had gesteld. De regisseur drong op spoed aan bij het inchecken. ‘Hurry, hurry’. Ik kreeg mijn pas terug plus een card waarmee ik de deur kon openen van kamer 701, de regisseur bedankte mij omstandig en ik begaf me door de menigte in de lounge op weg naar de lift die ik daarachter had ontdekt.

Maar dan had ik buiten de figurerende studenten gerekend. Hun opnamen waren klaar en ze waren bezig met een after-party. Mijn aanwezigheid leek hun nu de ideale gelegenheid om hun kennis van de Engelse taal te testen. Van verschillende kanten werd ik aangesproken en werd mij gevraagd of ik even meeborrelen wou. Dat leek me wel wat. Het was tegen zessen in de middag dus een mooi tijdstip voor wat kennismakingen met de beau monde van São Paulo. Maar eerst wou ik me opfrissen en omkleden. Dat vonden ze een goed idee en ze vergezelden me in de lift, kennelijk bang dat ik er onderweg van door zou gaan.

De kamer was ook allemaal erg design. Minimalistisch met Japanse accenten en alles in zwart en gebroken wit. Alles lag erbij alsof er een meetlat bij was gehouden. En dat was waarschijnlijk ook zo. Ik durfde geen handdoek aan te raken, bang om de compositie te verstoren. Maar goed, wat het zwaarst weegt….. Ik nam een douche, spoot wat deodorant waar het nodig was en trok een nieuw zwart T-shirt, een schone spijkerbroek en zwarte schoenen aan. Ik wou niet teveel uit de toon vallen. Ik deed het rustig aan en half uurtje later was ik klaar voor het gezelschap.

Beneden liepen er nog drie studenten rond. De drie van de lift. Zij zaten op zwart lederen fauteuils met rugleuningen van twee meter hoog tegenover een zwartmarmeren muur waarlangs water naar beneden liep. Zij stelden zich voor. Het waren geen studenten, maar reclame-jongens en –meisje die net een trailer hadden gemaakt voor een hotelketen. De echte figuranten waren al op huis aan, want die werden per uur betaald. Ik was de laatste shot die ze nodig hadden. Als dank kreeg ik een glas champagne. En het werd nog echt gezellig.