zaterdag 24 oktober 2009

Heftige ochtend

Het is koud, nat herfstweer. Ik rij door de binnenlanden van Zuid-Holland op weg naar een zorgboerderij. Niet dat ik zorg nodig heb, maar anderen wel. Ik kom ze een heel klein beetje helpen. Met wat geld. Namens de GD. Ik ben een kwartier te vroeg doordat TomTom mij weer flitsend in één keer naar de juiste bestemming heeft gebracht. ‘Bestemming bereikt’, zegt ie dan. Maar zover is het nog niet.


Ik parkeer naast een sloot, zet de motor af, druk zoevend het portierraampje naar beneden en kijk in de ogen van zeven soepganzen die aan de andere slootkant koud zitten te wezen. Ze doen niets, de ganzen. Ze zitten te suffen en rekken af en toe hun nek uit, zodat het onderste deel van hun snavel onder het water verdwijnt en ze met een schepbeweging wat water in hun bek kieperen. Bij het doorslikken kijken ze genietend. Dan suffen ze weer door. Ik groet ze vriendelijk, maar er kan geen ‘gak’ van af, ze vinden mij niet interessant.

Er zijn zo’n 1000 zorgboerderijen in Nederland, lees ik in een folder. Daar wordt aan mensen met een beperking een zinvolle dagbesteding gegeven. Veelal zijn dat verstandelijk gehandicapten, dementerenden, mensen na een hersenbloeding, psychische afwijkingen, nou ja, noem maar op, mensen dus die begeleiding nodig hebben. Zorgvraag heet dat.

Het is bijna tijd. Ik start de motor en rij het smalle pad op. Nummer 56 moet het zijn. Hofzicht heet het. Ik parkeer de auto op het deel en stap uit. Ik had mijn komst aangekondigd en verwachtte dus een comité van ontvangst. Ha, daar is die meneer met de poen. Maar niemand. Ja, een hond. Maar zelfs die waagt zich ter begroeting niet onder de bekapping vandaan. Het regent. Ik loer door een raam naar binnen. Een eindje verder in het gebouw zie ik een grote groep mensen aan de koffie. Ik loop naar de deur en maak mijn entree. Elf gezichten kijken me vol verwachting aan. Nou ja, kijken me aan? De helft tuurt ergens naast mijn hoofd of richting plafond.

Ik probeer te ontdekken wie begeleid wordt en wie begeleidt. Wat nog niet zo eenvoudig is. Uiteindelijk komt er een jonge vrouw op mij af, die voordien bezig was twee kemphanen uit elkaar te houden. ‘Lisette’, stelt ze zich voor, ‘Lisette Noordervaart’. Dat klopt, die naam stond op de site van zorgboerderij Hofzicht. ‘Aangenaam’ zeg ik, ‘Santer’.

Een vrouw in een rolstoel kijkt geïnteresseerd vlak langs mij heen. Ik schudt haar uitgestoken hand en vraag naar haar naam. Ze zegt niets. Ik neem mijn hand terug. Ze schijnt het niet te merken. Een eindje verderop staat één van de kemphanen op zijn tenen te wippen. Hij wil ook een hand. Ik duw mijn hand in zijn grote werkershanden en vraag naar zijn naam. ‘Whaf’ of zo, zegt hij. ‘Hans’ zegt Lisette. ‘Dag Hans’, zeg ik.

‘Kunnen we even apart zitten en ons voorstel even bespreken?’, zeg ik tegen Lisette. ‘Natuurlijk. Koffie?’ Ze duwt Hans de andere ruimte in, ik volg haar en achter mij sluit de rolstoelster aan. De schuifdeur gaat dicht. Nadat Hans met zachte dwang naar een stoel in de hoek is geduwd, gaan wij aan de tafel zitten. De rolstoel met bewoonster tussen ons in. We bespreken het voorstel. Lisette is blij verrast en kan elke hulp goed gebruiken.

Opeens staat Hans op en loopt snel naar de tussendeur op weg naar zijn vijand in de kamer ernaast. Maar voordat hij hem helemaal open heeft, is Lisette al tussenbeide gekomen. Zij duwt hem de kamer weer in en schuift de deur dicht. Hans loopt nu snel naar de rolstoel en geeft de inzittende een dreun op haar achterhoofd. Die blijft bewegingloos zitten, versuft van de plotselinge klap. Lisette pakt Hans beet en brengt hem naar een bureau in de hoek. ‘En nou zitten blijven’.

We praten door alsof er niets gebeurd is. Lisette lijkt ook niet echt onder indruk. Mij doet het terugdenken aan de paar weken die ik als vakantiekracht doorbracht op het psychiatrisch centrum de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder. Ook daar gebeurde met regelmaat zeer onverwachte dingen die afgehandeld werden alsof het volledig binnen de omgangsregels viel.


Op de eerste dag kwam ik binnen en liep de gang in om mijn jas ergens kwijt te raken. ‘Hoooiiiii’, brulde er iemand keihard in mijn oor. ‘Goedemorgen’, zei ik met de mimiek van iemand die het volstrekt normaal vind als iemand je om 8 uur ’s ochtends luidkeels en met uitgestoken nek ‘Hoooiiiii’ toebrult. Ik hing mijn jas op en liep de gang op. Ik schrok me dood. ‘Hoooiiiii’, brulde de matineuze toeteraar opnieuw. Ik zei niets. Ik ben niet achterlijk. Zo dadelijk loop ik die man vandaag twaalf keer tegen het lijf. Het werden er maar 6 keer. Ik deed mijn handen al voor mijn oren als ik wat zag bewegen in de gang.

’s Avonds mail ik naar Lisette de bevestiging van wat we hadden afgesproken. Ik schrijf: ‘Heftig vanmorgen. Je doet goed werk, dat is duidelijk’. Zij mailt terug: ‘U hebt inderdaad wel gelijk de meest heftige ochtend mee gemaakt. Over het algemeen is het allemaal heel gemoedelijk hoor’. Het zal wel aan mij liggen.

Geen opmerkingen: