Coyboy-land zouden we vroeger zeggen, nog niet wetend dat de officieel geautoriseerde schrijfwijze ‘cowboy-land’ was. Zo ziet het achterland van de westelijke Algarve eruit. Achtergebleven, vergeten door de EU-miljoenen, slechts heel even aangeraakt door de moderne tijd. Verlaten huizen, desperado’s met een zwarte hoed op schonkige paarden, modderige four-wheels en autobanden markeren de ingang van het onverharde omheinde terrein. De radaren van een grote machine op het veld zijn stilgezet en verroest.
De jongeren zijn weggetrokken. Geen zin in het harde werk op het onvruchtbare land. Je bent jong en je wilt wat. De kust is vol gebouwd met vertier. Grote hotels, bars en restaurants zorgen voor een schijnbaar eindeloze stroom bezoekers. Daar wordt vier keer zoveel verdiend en daar zijn de meiden. Dan ga je niet voor een paar euro op een trekker die rode grond omploegen. Als je wat wilt ga je daar waar je dat kan vinden. Aan de kust dus. Dag pa, dag ma. Juan, en Felipe en Carlos, weg zijn ze.
En pa en ma en de honden blijven achter. Moe en ontluisterd omdat het grote geld aan hen is voorbij gegaan. Het land verwildert, het onkruid schiet op en de gaten vallen in de onverharde wegen. Op de hekken verschijnen borden met ‘Proibido, Terrenos privados’ en ‘ Aguardar o cão’.
Ik zit op een terrasje aan de haven van Portimoã. Ik zou je een bezoek aan dit stadje ten sterkste ontraden wegens verregaande toeristenuitbuiting à la de Spaanse costa’s, maar nu is het off season en we zijn maar met 5 mensen aan de dis. Ik wacht op gegrilde sardines De ober vraagt of ik eerst nog soep wil. Ik zeg nee, ik wil alleen de sardines met wat sla en desnoods wat brood. Maar geen sopa. Hoppa met je sopa.
‘Felipe’, wijst hij op zichzelf. Hij vraagt waar ik vandaan kom. ‘Holland’, zeg ik. Dat had hij al begrepen, maar waar in Holland. ‘Utrecht’, zeg ik, want Zeist lijkt me wat te moeilijk. Maar ook Utrecht blijkt te ver gegrepen. ’40 kilometer van Amsterdam’, probeer ik. Ha, dat weet ie, nou dat is nog een heel eind weg. Voordat hij verder gaat vraag ik hem waar hij vandaan komt. Ik voorzie namelijk een hele riedel vragen over wat ik doe, en of ik getrouwd ben, en kinderen heb, en hoe het weer nu is in Holland.
‘Uit Hoedeloeja’, versta ik. ‘Nee’, zegt hij ‘Odeluja’. Hij schrijft het voor me op. ‘Odelouca’, zo’n 20 kilometer landinwaarts. Zijn ouders hebben daar een boerderij. Eerst was zijn vader visser. Maar dat werd steeds moeilijker doordat de grote Spaanse vissersvloot hun quotum opviste. Zijn vader was teruggegaan naar de boerderij van zijn ouders met de belofte van veel inkomsten. De overheid zou het binnenland voor toeristen ontsluiten en die zouden met hordes lokale producten komen halen. Er was een mooie asfaltweg aangelegd. En toen was het wachten. Ze hadden zich toegelegd op de productie van aardewerken beeldjes. Daar zouden de toeristen dol op zijn. Nou ze moeten nog komen. Ze rijden over de mooie asfaltweg rechtstreeks door naar Portimoã en laten hun links liggen. De beeldjes worden nu in de boetieks aan de kust verkocht. Voor een kwart van de waarde.
Hij rent weg om twee mogelijk geïnteresseerde gasten naar binnen te lokken. Hij laat een mooie verse dourada, die wij goudbrasem noemen, zien, wijst op de heldere bolle ogen en knijpt in het vlees. Vers wil hij zeggen. De twee mannen zijn daar niet zo van overtuigd. Ze lopen weg. Hij lijkt niet teleurgesteld en komt naar mij terug.
‘Toen ik 20 was ben ik naar Portimoã gekomen. ‘We moesten toch wat. Van de opbrengst van het land konden we niet leven’. ‘Eerst was ik bell boy in een van de betere toeristenhotels’. ‘Ik kreeg een bruin apepakkie aan en moest voor toeristen die mijn ouders links lieten liggen, klaar staan om elke opdracht uit te voeren die ze me gaven. Felipe doe dit, Felipe doe dat’. De meeste gasten waren vriendelijk en gaven behoorlijke fooien. Maar er zaten ook schoften tussen. Dan werd hij vernederd en gepest. Hij kon daar niet tegen. Eén keer had hij wat teruggezegd. ‘Fuck you’, had hij gezegd. Dat zeiden ze ook vaak tegen hem. De gast had bij zijn baas geklaagd en hij was direct ontslagen. Gelukkig kende hij inmiddels wat mensen in de lokale horeca en hij was bij een bevriende restaurateur in dienst gegaan. ‘Ik verdien niet veel, maar genoeg om mijn ouders een klein beetje extra geld toe te stoppen’. Hij tuurde de parkeerplaats af naar nieuwe slachtoffers. ‘Ja. Zo gaat dat’.
Mijn gegrilde sardines waren inmiddels gekomen. Ik at ze met smaak. De huid was krokant en goed gekruid. Misschien een tikje te zout. Het vlees mals en de graten makkelijk verwijderbaar. Kortom een lekker maaltje voor tussendoor. ‘Spaanse import’, sneerde Felipe toen hij weer eens langs liep. ‘Wablief?’, vroeg ik. ‘Die sardines’. ‘Smaken die anders dan Portugese?’, vroeg ik redelijk tactloos. Felipe deed of hij het niet hoorde. Hij kwam alleen nog terug om de rekening te brengen. Ik gaf een extra grote fooi.











