maandag 30 november 2009

Spaanse import?

Coyboy-land zouden we vroeger zeggen, nog niet wetend dat de officieel geautoriseerde schrijfwijze ‘cowboy-land’ was. Zo ziet het achterland van de westelijke Algarve eruit. Achtergebleven, vergeten door de EU-miljoenen, slechts heel even aangeraakt door de moderne tijd. Verlaten huizen, desperado’s met een zwarte hoed op schonkige paarden, modderige four-wheels en autobanden markeren de ingang van het onverharde omheinde terrein. De radaren van een grote machine op het veld zijn stilgezet en verroest.



De jongeren zijn weggetrokken. Geen zin in het harde werk op het onvruchtbare land. Je bent jong en je wilt wat. De kust is vol gebouwd met vertier. Grote hotels, bars en restaurants zorgen voor een schijnbaar eindeloze stroom bezoekers. Daar wordt vier keer zoveel verdiend en daar zijn de meiden. Dan ga je niet voor een paar euro op een trekker die rode grond omploegen. Als je wat wilt ga je daar waar je dat kan vinden. Aan de kust dus. Dag pa, dag ma. Juan, en Felipe en Carlos, weg zijn ze.

En pa en ma en de honden blijven achter. Moe en ontluisterd omdat het grote geld aan hen is voorbij gegaan. Het land verwildert, het onkruid schiet op en de gaten vallen in de onverharde wegen. Op de hekken verschijnen borden met ‘Proibido, Terrenos privados’ en ‘ Aguardar o cão’.

Ik zit op een terrasje aan de haven van Portimoã. Ik zou je een bezoek aan dit stadje ten sterkste ontraden wegens verregaande toeristenuitbuiting à la de Spaanse costa’s, maar nu is het off season en we zijn maar met 5 mensen aan de dis. Ik wacht op gegrilde sardines De ober vraagt of ik eerst nog soep wil. Ik zeg nee, ik wil alleen de sardines met wat sla en desnoods wat brood. Maar geen sopa. Hoppa met je sopa.

‘Felipe’, wijst hij op zichzelf. Hij vraagt waar ik vandaan kom. ‘Holland’, zeg ik. Dat had hij al begrepen, maar waar in Holland. ‘Utrecht’, zeg ik, want Zeist lijkt me wat te moeilijk. Maar ook Utrecht blijkt te ver gegrepen. ’40 kilometer van Amsterdam’, probeer ik. Ha, dat weet ie, nou dat is nog een heel eind weg. Voordat hij verder gaat vraag ik hem waar hij vandaan komt. Ik voorzie namelijk een hele riedel vragen over wat ik doe, en of ik getrouwd ben, en kinderen heb, en hoe het weer nu is in Holland.

‘Uit Hoedeloeja’, versta ik. ‘Nee’, zegt hij ‘Odeluja’. Hij schrijft het voor me op. ‘Odelouca’, zo’n 20 kilometer landinwaarts. Zijn ouders hebben daar een boerderij. Eerst was zijn vader visser. Maar dat werd steeds moeilijker doordat de grote Spaanse vissersvloot hun quotum opviste. Zijn vader was teruggegaan naar de boerderij van zijn ouders met de belofte van veel inkomsten. De overheid zou het binnenland voor toeristen ontsluiten en die zouden met hordes lokale producten komen halen. Er was een mooie asfaltweg aangelegd. En toen was het wachten. Ze hadden zich toegelegd op de productie van aardewerken beeldjes. Daar zouden de toeristen dol op zijn. Nou ze moeten nog komen. Ze rijden over de mooie asfaltweg rechtstreeks door naar Portimoã en laten hun links liggen. De beeldjes worden nu in de boetieks aan de kust verkocht. Voor een kwart van de waarde.


Hij rent weg om twee mogelijk geïnteresseerde gasten naar binnen te lokken. Hij laat een mooie verse dourada, die wij goudbrasem noemen, zien, wijst op de heldere bolle ogen en knijpt in het vlees. Vers wil hij zeggen. De twee mannen zijn daar niet zo van overtuigd. Ze lopen weg. Hij lijkt niet teleurgesteld en komt naar mij terug.

‘Toen ik 20 was ben ik naar Portimoã gekomen. ‘We moesten toch wat. Van de opbrengst van het land konden we niet leven’. ‘Eerst was ik bell boy in een van de betere toeristenhotels’. ‘Ik kreeg een bruin apepakkie aan en moest voor toeristen die mijn ouders links lieten liggen, klaar staan om elke opdracht uit te voeren die ze me gaven. Felipe doe dit, Felipe doe dat’. De meeste gasten waren vriendelijk en gaven behoorlijke fooien. Maar er zaten ook schoften tussen. Dan werd hij vernederd en gepest. Hij kon daar niet tegen. Eén keer had hij wat teruggezegd. ‘Fuck you’, had hij gezegd. Dat zeiden ze ook vaak tegen hem. De gast had bij zijn baas geklaagd en hij was direct ontslagen. Gelukkig kende hij inmiddels wat mensen in de lokale horeca en hij was bij een bevriende restaurateur in dienst gegaan. ‘Ik verdien niet veel, maar genoeg om mijn ouders een klein beetje extra geld toe te stoppen’. Hij tuurde de parkeerplaats af naar nieuwe slachtoffers. ‘Ja. Zo gaat dat’.

Mijn gegrilde sardines waren inmiddels gekomen. Ik at ze met smaak. De huid was krokant en goed gekruid. Misschien een tikje te zout. Het vlees mals en de graten makkelijk verwijderbaar. Kortom een lekker maaltje voor tussendoor. ‘Spaanse import’, sneerde Felipe toen hij weer eens langs liep. ‘Wablief?’, vroeg ik. ‘Die sardines’. ‘Smaken die anders dan Portugese?’, vroeg ik redelijk tactloos. Felipe deed of hij het niet hoorde. Hij kwam alleen nog terug om de rekening te brengen. Ik gaf een extra grote fooi.




dinsdag 24 november 2009

Een tevreden roker?

Er klinkt gerochel op het overloop. Er wordt gekucht en slijm opgehoest. Hij is wakker. Ik kijk op de wekker. Het is zes uur in de ochtend. Ik luister intens naar de geluiden. Het gekraak van de trap als hij naar beneden loopt. Het rustige tik -----tak------tik------tak van de staande pendule in de hal. Het gepiep van de ovenklep die hij opendoet om het brood erin te schuiven dat over een uurtje zo’n heerlijke geur naar boven zal zenden. Hij rochelt weer. Uche-uch. Hij verschuift een stoel. Hij zal wel zijn gaan zitten en ‘Trouw’ voor zich hebben uitgespreid. Ik draai me om. Ik voel me heel veilig in dit bed. Ik val weer in slaap. Helemaal tevreden. Ik ben 13 jaar en logeer bij opa.


Opa was bakker geweest. En een niet onsuccesvolle bakker. Hij had daarmee genoeg geld verdient om een huis te laten bouwen aan de Kerkewijk in Veenendaal. ‘Oase’ heet het. Een mooi wit huis, met een uitgebouwde serre waarin een tropisch oerwoud welig tierde. Daar kon je je terugtrekken op stoelen gemaakt van gebogen bamboe als je even geen zin had in het vertier van een druk huishouden. Weggedoken in het oerwoud hoorde je nog de het geluid van de tennisballen die heen en weer geslagen werden op de banen van een Veenendaalse tennisclub achter het huis. Pok……..pok…..…..pok. De slagenwisselingen gingen nog niet zo snel als nu. Pok……..pok…..…..pok. Ik fantaseerde de stem van Willem O’Duys erbij, die Wimbledon versloeg. ‘Ah, wat een fantastische rally. Hij kwam precies op zijn backhand en retourneerde met een dropshot’. ‘Advantage, Mr Okker’, zei de umpire. Beschaafd applaus klonk op de achtergrond.

Opa was getrouwd met mijn oma, laat dat duidelijk zijn. Zij hadden een wat gecompliceerde relatie. Hun vierde kindje was op vijfjarige leeftijd gestorven. Tijdens een vakantie aan de kust was het knulletje gaan pootje baden in de zee en had daar een longontsteking aan overgehouden. Hij stierf kort daarop. Het was 1929. Er was nog geen penicilline. Zij had dat verlies nooit kunnen accepteren en vluchtte in haar geloof. In het vervolg kwam hij op de tweede plaats. Eerst kwam God en de goede werken. Dan hij. Hij berustte daarin. Leek het.


Hij begon een tweede beroepsleven als vertegenwoordiger in tabakswaren; zeg maar een accountmanager in sigaren. Bij Ritmeester in Veenendaal. Hijzelf was het beste voorbeeld van een ‘tevreden roker is geen onruststoker’. Hij pafte sigaren en pijpen. Onderuitgezakt in een leren fauteuil, met de horlogeketting over zijn buik en een rond brilletje op zijn neus, liet hij zich fotograferen voor een reclamecampagne. Nog jaren zag ik zijn portret in de etalage van een tabakszaak op de Munt in Amsterdam.

Ze kregen in totaal ze zes kinderen; vier meiden en twee jongens. De oudste was misschien wel de begaafdste. Zij was kunstzinnig aangelegd. In haar jonge jaren wilde ze graag naar de kunstacademie maar daar moest pa niets van hebben. Poelen des verderfs, noemde hij ze. Ze mocht wel een kamer in Wassenaar en daar privé-lessen volgen bij kunstschilder Roeland Koning.

In Veenendaal was inmiddels (1960) besloten tot de bouw van een nieuw hypermodern kerkgebouw, de Petrakerk, een paar huizen verderop aan de Kerkewijk. Men vond het gepast dat in zo’n mooi gebouw een raam van allure kwam. Maar wie zou dat betalen? Ik citeer het ‘Gelders Dagblad’ van 9 februari 1996:

‘En dan spreekt wijlen C.J. van den B., lid van de commissie van beheer en zeer betrokken bij de bouw van de kerk, deze gedenkwaardige woorden: ‘Geen geld? Mijn dochter doet het voor niets!’

Het is niet helemaal duidelijk of opa de strekking van wat hij zei ook duidde, maar zijn onderschatting van de zwaarte van de opdracht was evident. Een glas-in-lood raam van maar liefst zestig vierkante meter. Voor niets. Zijn dochter nam de uitdaging niettemin aan. Dagenlang zat ze met haar schetsboek in Ouwehands dierenpark vissen, leeuwen, herten, eenden en flamingo’s te tekenen.

‘In het midden van de tuin laat ze Adam alvast namen aan de dieren geven. Met deze eerste mens weet ze naar haar eigen zeggen nauwelijks raad. Zo’n grote naakte man prominent op een metershoog raam in de kerk dat gaat niet. Ze besluit iets op de bijbelse geschiedenis vooruit te lopen en voorziet Adam van een paar forse vijgenbladeren. De kleuren die ze bedenkt en de combinaties daarvan zijn buitengewoon. Zilverachtige vissen in een donkerblauwe en groene watermassa. Iets hogerop gaat het donker over in een weelderige vegetatie met veelkleurige dieren en vogels. Achter de eerste mens laat de zon z’n gouden stralen naar alle kanten omhoog schieten’. Aldus het ‘Gelders Dagblad’.


Vier jaar later overleed opa plotseling, 77 jaar oud. Er waren wat klachten. De bloeddruk drukte. Toen op een middag de huisarts ter controle bij hem kwam en een opmerking maakte over een glas ouwe jenever op het tafeltje, antwoordde opa: ‘Ik zag je aankomen en dacht ik zet de borrel vast klaar’. Tegen Magere Hein heeft hij vast hetzelfde gezegd.

woensdag 18 november 2009

Kein gezeik

Het was niet bepaald Tramlijn Begeerte, lijn 9 in Amsterdam. Althans voor ons niet. Lijn 9 was meer Tramlijn Aanvalluh. Want het eindpunt van lijn 9 was voor vele Amsterdammers het Ajax-stadion. Daar kwam hij piepend en bellend tot stilstand op de keerlus en ontdeed zich op zondag van de horde supporters die kwamen kijken naar de verrichtingen van Johan Cruijff, die recht tegenover de halte woonde in Betondorp.



Tramlijn 9 bestaat sinds 28 december 1903. Dat heb ik even opgezocht want zover gaat mijn herinnering niet. De lijn is meerdere malen aangepast, maar verbond immer het centrum met de Watersgraafmeer. In de periode dat ik daar woonde, reed hij van het Ajax-stadion langs het exotische Tropenmuseum, de Muiderpoort, een stadspoort uit 1770, voorbij Artis, dat voluit Natura Artis Magistra heet, langs de eeuwenoude Hortus Botanicus, het Waterlooplein met zijn tweedehands spullen, gillend en vonkend door de bocht langs de Amstel, luid bellend de Dam over en dan via het Damrak naar het Centraal Station.

Op de bok zat de trambestuurder. Rechtop, want het was een beroep vol historie en eer. Met zijn rechtervoet stond hij op een metalen pedaal die een mechanische bel bediende en met zijn rechterhand beminde hij het stuur waarmee de snelheid geregeld werd. Wat zijn linkerkant aan het besturen bijdroeg was grotendeels aan het gezicht onttrokken maar wat zijn mond deed niet. Daarmee gaf hij commentaar op alles wat in de omgeving ophield. ‘Rot op met je hondenhok’, fulmineerde hij tegen het Dafje dat niet gauw genoeg uit zijn spoor verdween. ‘Gajes’, schreeuwde hij naar een paar jochies die steentjes in de rails gooiden in een onbeholpen poging de tram te laten ontsporen. ‘Schorum’. En naar een keurige dame die haar halte voorbij zag gaan zonder dat de tram stopte en reageerde met een ’Chauffeur ik heb gedrukt’, riep hij lachend, ‘Grote meid. En nu goed afvegen’.

Op zaterdagavond stapten wij aan boord van lijn 9 op halte Hogeweg. We maakten het ons gemakkelijk op de houten bankjes en keken tevreden naar het voorbij schietende tafereel. Amsterdam ging zaterdagavond vieren en dat was feest. Op halte Rembrandtplein stapten we uit. De terrassen zaten vol en voor het revuecafé Saint-Germain-de-Près stond een rij wachtenden voor een optreden van Dorus. Wij liepen een steegje in en aangekomen aan de Amstel traden we binnen in het café van Frau Beate.

Frau Beate zelf stond achter de tap. Ze was een charmante vijftiger met een zwaar Duits accent. ‘Ha Keessszzzz’, zei ze als ik binnenkwam. En ‘Gutenabend Hansssszzzz’, sliste ze naar mijn kompaan. ‘Ik verwachtte jullie’. Wij groetten terug en hesen ons op de rode barkrukken. We keken rond. Het was weer een gemengd gezelschap. Wat Amerikanen een enkele Fransman, een blikje studenten en wat alternatieven. Geen dronkenlappen, zwervers of druggebruikers. Die kwamen er bij haar niet in. Die zette ze er zelf uit. Dit was een keurige kroeg. ‘Kein gezeik. Buiten doen jullie maar wat jullie willen maar hier ben ik de baas.’.

De kroeg was lang en smal en hing vol met koper, dat ik in een bui van pure naastenliefde eens allemaal gratis heb gepoetst, maar daar was ze niet helemaal tevreden mee want overal zag ze nog witte streepjes. ‘Nah, Keeessssszzzz, dan kan ik het net zo gut selbs machen’. ‘Fuck you’ dacht ik en zei met een grimlach dat ik het nog ééééén keer over zou doen. En dan nooooiiit meer.

Wij dronken ons in zoals ze dat tegenwoordig noemen. Niet dat dat indrinken veel voorstelde. Twee pilsjes en een bierworstje daar bleef het bij. Geld was schaars in die dagen. We luisterden naar de zeer persoonlijke jukeboxkeuze van Beate. Nina Simone, Sarah Vaughn, Hildegarde Knef (Ach Knef. Die donkere stem.
‘Berlin, dein Gesicht hat Sommersprossen,
und dein Mund ist viel zu groß,
dein Silberblick ist unverdrossen,
doch nie sagst du: Was mach' ich bloß?’)
en dan op eens, tetteretet, eine kleine Nachtmusik en de Mondscheinsonate. Geen Beatles, Stones of andere pop. Het publiek selecteerde zichzelf. En Frau Beate had kein gezeik.

Ik kom er nog wel eens langs als ik naar het centrum rij. Nu zit er een coffeeshop in: ‘The Bushdoctor’. Ze had ze er allemaal uitgeschopt.

zondag 8 november 2009

Billen op weg naar de top

Onze geliefde, maar veel geplaagde vorstin was één dezer dagen in Mexico op staatsbezoek. Het Mexicaanse publiek trok zich daar niet veel van aan. Youp schreef in NRC: ‘…..je ziet aan de burgemeester dat hij weliswaar intensief gegoogled heeft, maar dat hij eigenlijk nog steeds geen idee heeft wie hij voor zich heeft’. Toen had zich het incident met de garnaal nog niet voorgedaan. Nu weet elke Mexicaan in ieder geval wie onze veel geplaagde kroonprins is.


Ook ik was eens in Mexico. En ook op mij stond geen mens te wachten. Dat kwam enerzijds doordat ik vlak voor middernacht aankwam, en op dat uur is een gemiddelde Mexicaan een drugsoorlog aan het uitvechten, en anderzijds omdat geen mens mij daar kende. En geef ze eens ongelijk.

Het was dus middernacht en ik had mijn huurauto afgehaald, een 4-wheel, hoewel ik een Kever had besteld. Kevers worden daar geproduceerd en rijden er bij bosjes rond. Maar nu waren ze op of kapot of weetikveel in het Spaans. Ik kreeg een witte Suzuki Vitara. En daar stond ik dan. Op de parkeerplaats van het vliegveld van Merida op het schiereiland Yucatán. Ze hadden voor mij een kamer geboekt in Ticul, een stadje ruim honderd kilometer verder landinwaarts. In het pikdonker voor het eerst op het onbekende pad in Mexico leek mij geen aanbeveling. Ik had gelezen over de vele gaten in de weg, de loslopende honden en rondzwervende koeien. Ik besloot via een goed verlichte route naar de dichtbij zijnde kust te rijden en in een daar ongetwijfeld voorhanden zijnd toeristenhotel mijn eerste nacht door te brengen.

En zo kwam ik terecht in een riante loft met aan drie zijden een vrij uitzicht over de golf van Mexico. Ik pakte wat aller-noodzakelijkst uit, zakte weg in een love chair en tuurde naar het donkere water. Langzaam sliep ik in. De volgende ochtend stond ik vroeg op om eens lekker te ontbijten. Ik nam de lift naar beneden en liep daar een all-inclusive-paradijs in. Het buffet was afgeladen met enchiladas, tortas compuestas, sopes, quequesadillas enz. Net zo vreemd als de namen was mij de samenstelling. Ik waagde me er niet aan op het vroege tijdstip. Gelukkig was er ook een Europees ontbijt, maar wel in een Zuid Amerikaanse uitvoering; heel veel fruit.


De zaal zat vol met bruingebakken Europeanen en Amerikanen, die hier hele dagen op het strand lagen en zich all-inclusive te barsten vraten. Na 10 dagen rolden ze het vliegtuig weer in terug naar de baan van 9.30 tot 17.00 uur. Van de Maya’s pikten ze nog net een piramidetje uit de souvenirwinkel mee.

Ik ging op pad. Eerst naar Uxmal, het centrum van de Maya-barok. De weg ten zuiden van Merida was verlaten en het landschap kaal. Slechts af en toe is er een heuveltje dat hier ‘Puuc’ heet. De Maya’s leefden in grote onafhankelijke stadstaten zoals Uxmal, Chichén Itzá, Kabah en Xlapak. Het waren bloeddorstige krijgers dol op oorlogen en mensenoffers. Maar ze hadden ook veel kennis van de astronomie en mathematiek.


Uxmal bestaat uit een aantal piramides, een ‘nonnenklooster’en een stel overheidsgebouwen. De ‘Pirámide del Adivino’, de piramide van de tovenaar, is 35 meter hoog. De trappen zijn gigantisch steil zodat je aangeraden wordt die op handen en voeten te bestijgen. Dat gaf een wat merkwaardig gezicht als je dat van onderen bekeek, die op een neergaande billen op weg naar het heilige der heilige. Menigeen redde de klim niet en keerde achteruit dalend, bezweet en trillend terug op aarde. Ik probeerde het niet eens.


Ik stapte in de Suzuki en besloot door te rijden naar mijn hotel in Ticul. Na een kilometertje of 15 zag ik in de verte wat objecten in deze verder zo verlaten omgeving. Over de weg lag een meer dan vuistdik kabeltouw. En rechts daarvan twee geüniformeerde en belaarsde agenten.

‘Mijd te allen tijden de Mexicaanse politie; zij helpt u zelden en verergert vervelende situaties’, waarschuwde mijn reisgids. ‘Mocht u toch met de politie te maken krijgen dan is de belangrijkste regel om zo kalm en beleefd mogelijk te blijven’. Ik zette mijn allervriendelijkste gezicht op en de gedachte aan een uitbraakpoging uit mijn hoofd. Heel beleefd draaide ik het raampje open toen één der koddebeiers zich opmaakte mij te bevragen. ‘Buenos dias. Qué tal?’ zei ie. Ik groette hem vriendelijk terug: ‘Bueno dias’ en dook in het dashboardvak op zoek naar paspoort, rijbewijs en autopapieren. Weer boven water bood ik mijn bescheiden uiterst beleefd aan aan de pet. Hij woof mijn goede bedoelingen met een lach weg en gebaarde dat ik door kan rijden. Zijn collega trok de kabel weg.




zondag 1 november 2009

Het lichtend pad

Ik pak de treuzelaar, mijn turkooizen koffer, passeer de douane en ga op zoek naar een taxi die mij naar mijn hotel in Lima, Peru brengt. Het is druk in de hal. Overal staan groepjes afhalers die langverwachte familieleden aan de borst drukken. Het gaat er daarbij hard aan toe. Huilen en omarmen en op de rug slaan. De actoren in ‘Hello, Goodbye’ van Joris Linssen zijn hiermee vergeleken een stelletje autisten. Hier wordt geknuffeld en geleden dat het een lieve lust was. Nou ja, niet mijn lust. Ik ben op zoek naar een taxi.

Tussen de geëmotioneerde halers en brengers staan twee onbewogen heren. Laten we ze Juan en Pedro noemen. Ze zij even groot, hebben beiden zwart gel-haar met een scheiding en een zwart leren jack. Zij dragen een bord met het opschrift ‘Seňor Santer’. Huh, voor mij? Ik kijk om mij heen om te zien of er misschien nog iemand met de naam Santer is die zich meldt. Juan en Pedro kijken mij echter bemoedigend aan. ‘Mister Santer?’ Nu wordt het toch echt uitkijken geblazen. Zo dadelijk zit ik tussen deze twee gladjakkers ingeklemd op de achterbank van een auto op weg naar een wekenlange gijzeling door het ‘Lichtend Pad’, de plaatselijke terroristenclub.


Want zoveel wist ik nog wel van Peru. Ik had me verder slecht voorbereid op deze reis. Ik had met een half oog deze reis geboekt en betaald. Ik had het druk op mijn werk en wilde er op korte termijn even tussen uit. Recent had ik een boek gelezen van iemand die zich het doel had gesteld zowel op het laagst als op het hoogst gelegen, bevaarbare meer te zeilen. Dat was hem na veel bureaucratisch gedonder, gelukt. Hij zeilde op de Dode Zee en op het Titicacameer in het Andes-gebergte. Dat leek mij ook wel wat. Niet dat zeilen, maar wel een bezoek aan dat mysterieuze meer met de fameuze rieteilanden van de Uros-indianen, hoog in de Andes. En dan plakte ik er onderweg nog even Machu Picchu (Oude Berg), Cuzco, een treinrit door het hooggebergte en een bezoek aan Puno aan vast. Zo gezegd, zo gedaan.

En nu sta ik in de hal van de luchthaven van Lima, waar twee stevige heren wachten op mijn besluit of ik nu wel of niet de seňor Santer van het bordje ben. ‘Mister?’ Ik besluit het erop te gokken. Yes, ik ben mister Santer. Ze kijken opgelucht. Dat is hem dan. Zij pakken de treuzelaar en lopen met gestrekte pas richting uitgang. ‘Daar gaat me goeie goed’, denk ik en loop achter ze aan. We komen aan bij een alleszins nette Japanner, waar Juan de achterportier openhoudt en Pedro mijn koffer onder de klep deponeert.


Zij weten de weg en vragen mij niet waar ik heen moet. Ze zijn duidelijk geïnstrueerd. De vraag is nog steeds door wie? We racen door een moderne stadswijk, terwijl de niet chaufferende Juan mij vraagt waar ik vandaan kom. Ik vertel het hem en hij knikt bevestigend. Dat had hij al vermoed. 'En hoe duur zijn bij jullie de mobieltjes?', is zijn volgende zet. Hij houdt zijn toestel stevig vast. Ik vertel hem dat, als je er een abonnement bijneemt, de toestellen zelf vaak gratis zijn. Hij vertaalt het voor de chauffeur en samen zijn ze verbaasd over zoveel vrijgevendheid.

‘Bent u katholiek?’ We springen wel van het ene naar het andere onderwerp. En voor we het weten zitten we in een diep-religieuze conversatie over de voor- en nadelen van het katholieke geloof in deze seculiere tijden. Beide mannen gaan dagelijks tweemaal ter kerke. Ik vraag ze: ‘En de zon en de maan dan?’

In het vliegtuig had ik wat rond gesnuffeld in de Lonely Planet-uitgave over Peru. De Inca's geloofden in de kracht van de zon als weldoener van de Aarde. De zon werd daarom vaak geëerd met zonnefeesten. We moeten daarbij bedenken dat de hemel zoals die door de Inca’s werd waargenomen niet te vergelijken is met wat wij nu zien. Zij zaten vaak op zeer grote hoogten (Machu Picchu ligt boven de 3 km) en zonder lucht- en lichtvervuiling. Op die hoogten was de hemel zeer goed zichtbaar; de melkweg (de hemelse rivier) zal zeer helder geweest zijn en elke ster goed zichtbaar. De Inca’s observeerden de bewegingen van zon, maan en melkweg en berekenden daaruit o.a. een kalender en de twee belangrijkste rituele data van het jaar; Capac Raymi (midzomerfeest in december) en Inti Raymi (midwinterfeest in juni). Ook berekenden ze aan de hand van de bewegingen allerlei biologische cyclussen en baseerden daarop de zorg voor hun gewassen en lamakuddes.


Pedro en Juan knikken vol ongeloof over zoveel bijgeloof. Zij geloven alleen in Maria’s goede zorgen. Daar kan geen maan wat aan veranderen. Na een uurtje stevig doorscheuren zetten ze me af bij een hotel. Het klopt. Ik heb een voucher voor dit hotel in mijn rugzak. Juan vraagt of ze me vanavond het nachtleven moeten laten zien. Ik zeg dat ik na 13 uur vliegen naar bed wil. ‘Okay, dan komen we u morgen halen voor uw vliegtocht naar Cuzco. Tot morgen.’ En zonder te hoeven betalen rijden ze weg. Aan de receptionist vraag ik wie dat waren. ’Van het reisbureau’, zegt hij.