Er klinkt gerochel op het overloop. Er wordt gekucht en slijm opgehoest. Hij is wakker. Ik kijk op de wekker. Het is zes uur in de ochtend. Ik luister intens naar de geluiden. Het gekraak van de trap als hij naar beneden loopt. Het rustige tik -----tak------tik------tak van de staande pendule in de hal. Het gepiep van de ovenklep die hij opendoet om het brood erin te schuiven dat over een uurtje zo’n heerlijke geur naar boven zal zenden. Hij rochelt weer. Uche-uch. Hij verschuift een stoel. Hij zal wel zijn gaan zitten en ‘Trouw’ voor zich hebben uitgespreid. Ik draai me om. Ik voel me heel veilig in dit bed. Ik val weer in slaap. Helemaal tevreden. Ik ben 13 jaar en logeer bij opa.
Opa was bakker geweest. En een niet onsuccesvolle bakker. Hij had daarmee genoeg geld verdient om een huis te laten bouwen aan de Kerkewijk in Veenendaal. ‘Oase’ heet het. Een mooi wit huis, met een uitgebouwde serre waarin een tropisch oerwoud welig tierde. Daar kon je je terugtrekken op stoelen gemaakt van gebogen bamboe als je even geen zin had in het vertier van een druk huishouden. Weggedoken in het oerwoud hoorde je nog de het geluid van de tennisballen die heen en weer geslagen werden op de banen van een Veenendaalse tennisclub achter het huis. Pok……..pok…..…..pok. De slagenwisselingen gingen nog niet zo snel als nu. Pok……..pok…..…..pok. Ik fantaseerde de stem van Willem O’Duys erbij, die Wimbledon versloeg. ‘Ah, wat een fantastische rally. Hij kwam precies op zijn backhand en retourneerde met een dropshot’. ‘Advantage, Mr Okker’, zei de umpire. Beschaafd applaus klonk op de achtergrond.
Opa was getrouwd met mijn oma, laat dat duidelijk zijn. Zij hadden een wat gecompliceerde relatie. Hun vierde kindje was op vijfjarige leeftijd gestorven. Tijdens een vakantie aan de kust was het knulletje gaan pootje baden in de zee en had daar een longontsteking aan overgehouden. Hij stierf kort daarop. Het was 1929. Er was nog geen penicilline. Zij had dat verlies nooit kunnen accepteren en vluchtte in haar geloof. In het vervolg kwam hij op de tweede plaats. Eerst kwam God en de goede werken. Dan hij. Hij berustte daarin. Leek het.
Hij begon een tweede beroepsleven als vertegenwoordiger in tabakswaren; zeg maar een accountmanager in sigaren. Bij Ritmeester in Veenendaal. Hijzelf was het beste voorbeeld van een ‘tevreden roker is geen onruststoker’. Hij pafte sigaren en pijpen. Onderuitgezakt in een leren fauteuil, met de horlogeketting over zijn buik en een rond brilletje op zijn neus, liet hij zich fotograferen voor een reclamecampagne. Nog jaren zag ik zijn portret in de etalage van een tabakszaak op de Munt in Amsterdam.
Ze kregen in totaal ze zes kinderen; vier meiden en twee jongens. De oudste was misschien wel de begaafdste. Zij was kunstzinnig aangelegd. In haar jonge jaren wilde ze graag naar de kunstacademie maar daar moest pa niets van hebben. Poelen des verderfs, noemde hij ze. Ze mocht wel een kamer in Wassenaar en daar privé-lessen volgen bij kunstschilder Roeland Koning.
In Veenendaal was inmiddels (1960) besloten tot de bouw van een nieuw hypermodern kerkgebouw, de Petrakerk, een paar huizen verderop aan de Kerkewijk. Men vond het gepast dat in zo’n mooi gebouw een raam van allure kwam. Maar wie zou dat betalen? Ik citeer het ‘Gelders Dagblad’ van 9 februari 1996:
‘En dan spreekt wijlen C.J. van den B., lid van de commissie van beheer en zeer betrokken bij de bouw van de kerk, deze gedenkwaardige woorden: ‘Geen geld? Mijn dochter doet het voor niets!’
Het is niet helemaal duidelijk of opa de strekking van wat hij zei ook duidde, maar zijn onderschatting van de zwaarte van de opdracht was evident. Een glas-in-lood raam van maar liefst zestig vierkante meter. Voor niets. Zijn dochter nam de uitdaging niettemin aan. Dagenlang zat ze met haar schetsboek in Ouwehands dierenpark vissen, leeuwen, herten, eenden en flamingo’s te tekenen.
‘In het midden van de tuin laat ze Adam alvast namen aan de dieren geven. Met deze eerste mens weet ze naar haar eigen zeggen nauwelijks raad. Zo’n grote naakte man prominent op een metershoog raam in de kerk dat gaat niet. Ze besluit iets op de bijbelse geschiedenis vooruit te lopen en voorziet Adam van een paar forse vijgenbladeren. De kleuren die ze bedenkt en de combinaties daarvan zijn buitengewoon. Zilverachtige vissen in een donkerblauwe en groene watermassa. Iets hogerop gaat het donker over in een weelderige vegetatie met veelkleurige dieren en vogels. Achter de eerste mens laat de zon z’n gouden stralen naar alle kanten omhoog schieten’. Aldus het ‘Gelders Dagblad’.



Geen opmerkingen:
Een reactie posten