donderdag 17 december 2009

Jongens met hoge hakken

We komen laat in de avond in Sevilla aan. Het is al 11 uur, dus we sterven van de honger. Gelukkig zijn Spanjaarden gewend laat te dineren na al dat tapassen, en dus gaan we op zoek naar een restaurant dat nog serveert. In een eetlokaal op het plein bij de kathedraal Sante Maria de la Sede vinden we plaatsje aan het raam. De meeste bezoekers zijn aan het natafelen. Sommige zitten aan Torta de Almendras, een traditionele amandeltaart, legt een liefhebber aan de belendende tafel uit. Maar de meeste zitten aan de Alfonso, een plaatselijke likeur.



We bestellen bij een wat slonzige ober met de sterk beduimelde kaart enige gerechten waarvan de namen ons heel in de verte bekend voorkomen. Binnen 15 minuten staat alles op tafel. Leve de vooruitgang. Ook hier heeft de magnetron zijn intrede gedaan. Het eten is plaatselijk heet en plaatselijk steenkoud. Maar we hebben honger en kunnen dus niet kieskeurig zijn. Het smaakt niet echt. Het vlees lijkt die avond al enkele keren opgediend te zijn en is door die uitputtingsslag zichtbaar vermoeid. Ook het groentegarnituur hangt suffig over de rand van het bord wachtend op betere tijden. We rekenen af en gaan naar het hotel.

De volgende dag struinen we alle toeristische attracties af die deze stad rijk is. Sevilla is het toneel geweest van vele veroveraars en culturen. De Grieken komen, de Grieken gaan, en de Romeinen komen, de Romeinen gaan, de Vandalen, de Moren, de Vikingen, de Joden, de Spanjaarden; ze komen en gaan. Behalve die laatste. Die zitten er nog.

We gaan eerst maar eens naar Barrio de Santa Cruz, de Joodse wijk – het Juderia – dat getuige van de eeuwenlange Joodse aanwezigheid in de stad. Zij woonden daar al sinds Romeinse tijden en mogelijk zelfs eerder. De Iberische Joden, de Sefardim (Sefarad is Hebreeuws voor Spanje) genoten aanvankelijk een zekere vrijheid, maar werden na verloop van tijd uit het maatschappelijke leven verdreven. In 1492, Columbus verovert Amerika, werden de overgebleven Joden van Sevilla gedwongen Spanje te verlaten.

De wijk sluit naadloos aan op de tuinen van het Alcázar Real de Sevilla of Reales Alcázares de Sevilla oftewel het Koninklijk Paleis. Dit paleiscomplex is waarschijnlijk het oudste koninklijk paleis van Europa dat nog steeds als zodanig in gebruik is. Aanvankelijk werd het gebouwd door Moorse bouwmeesters, maar later werden daar elementen in gotische en renaissance-stijl aan toegevoegd. Het is daardoor een beetje een ratjetoe, maar de pracht van de Moorse stijl overheerst.


De kathedraal van Sevilla is één van de grootste ter wereld en staat op de plaats waar de almohaden (een Berberse moslimdynastie) in de twaalfde eeuw een moskee hadden gebouwd. Na de val van Sevilla in 1248 namen Christenen het bouwwerk in bezit en hielden er hun eredienst. De minaret – de Giralda – deed dienst als kerktoren, ook nadat op de plaats van de moskee een gigantische kathedraal was verrezen. In deze kathedraal ligt een praalgraf van Columbus, maar of hij er zelf in ligt wordt sterk betwijfeld. Zijn zoon ligt een eindje verder ook dood te wezen. Dat weet men zeker.

Pfffffffffffffffffffffffff. We zijgen op een bankje neer. De kuiten zijn hard en de voeten het lopen moe, de rug kromgetrokken door de rugzak en de ogen staan op steeltjes. Tje, Sevilla, had je het de afgelopen eeuwen niet wat rustiger aan kunnen doen? Wat een hoeveelheid geschiedenis. Wat een strijd tussen culturen en geloven. Wat een gebouwen en kathedralen en watertuinen en bloeiende mandarijnenbomen en koetsjes en toeterende auto’s. Tijd voor de tapas en dan ……………. tijd voor FLAMENCO!!!!!!! Olé!!! Want als er een stad stijf staat van de flamenco dan is het wel Sevilla. Olé!!!!

We gaan naar Flamencobar Lo Nuestro aan de Calle Betis. Het is een vrij kaal rechthoekig lokaal met een catwalk-achtig verhoging. Aan de tafeltjes rond dit podium zitten een paar bezoekers. Zo te zien meest buitenlanders. Keurig opgedoft en schoon geborsteld. Het permanentje wedijvert met de brillantine. Aan het eind van het podium zitten groepjes jongens, mannen kun je het niet noemen, en vrouwen, meisjes kun je het niet noemen. Het zijn flamenco-dansers. De jongens zitten schuchter bij elkaar, in hun veel te strakke broeken en schoenen met hoge hakken en bespreken jongenszaken. De vrouwen, in hun elegante, zwierige kleding vol ruches en plooien, kijken roddelend rond en lachen hard als één van hen een dubieuze opmerking maakt. Aan de andere kant van het podium, maar ook aan het eind zitten wat muzikanten en een zanger, denk ik, want dat kan je nu nog niet zien, zolang hij zijn mond houdt.

Opeens geeft iemand een keiharde roffel op zijn gitaar ‘Dsjengedsjeng’. Een jongen en vrouw maken zich los van de groep lopen het trapje op naar het podium. Nog een ‘Dsjengedsjeng’ en dan gebeurt het. Dan voltrekt zich een transformatie, de totale metamorfose. De schouders gaan naar achteren, de rug wordt gerecht, de kin de lucht in gestoken en de armen naar elkaar gestrekt. Weg is de schuchterheid, weg de kokette blik, de onzekerheid. Wat rest is trots, hooghartigheid, superioriteit en elegantie. En met korte afgemeten passen en lange zwierende draaien dansen ze de flamenco.


Ze dansen niet als Weense walsers, elkaar aanvullend en als een eenheid. De flameco-dansers dansen tegen elkaar, met elkaar maar in gevecht. Duizenden jaren geschiedenis worden hier weggezongen en –gedanst. Invloeden van de Moren (klanken), zigeuners en Iberische, Fenicische, Keltische, Gotische, Byzantijnse en katholieke culturen. Soms sierlijk, soms hoekig, soms zwevend, soms staccato. Maar altijd ver verheven boven de toupetjes en kuitbroeken aan de tafeltjes beneden hen. 



Geen opmerkingen: